Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik brak het gesprek af en ging verder.

Vele maanden later kwam hij toch ten mijnent. Hij had mij, zoo waar, gevonden.

De dienstbode kon hem niet „wegkrijgen". Ik ging dus zelf even tot hem.

Natuurlijk zong hij een heel klaaglied uit.... al hielp ik hem dan maar aan eene kleinigheid.

Neen, zeide ik, ik geef geen halven cent aan geld. Maar ik zal je een bon geven voor 't Leger des Heils, daar kunt ge dan drie dagen op mijne kosten verblijven.

U moet me niet kwalijk nemen, meneer, maar naar het Leger des Heils ga ik niet graag.

Waarom niet?

Daarom niet, daar kan ik m'n God niet dienen!!

Je God niet dienen? je hebt nog nooit een God gediend,... wil je den bon hebben of niet?

Neen.

Nu dan, afgeloopen.

Een half uur later belde hij weer.

.... of meneer dan den bon maar geven wou.

Ik schreef dien. Maar schreef er tegelijk, met roodo inkt dwars overheen: „deze bon kan geen dienstdoen als reclame-middel".

Waarom ik dit deed?

Ik wist wèl, dat deze door mij afgegeven bons, door sommigen voor een paar dubbeltjes verkocht en deze dan in jenever omgezet werden.

Maar ik wist niet, wat mij kort geleden verteld was door eene dame uit het Scheveningsche park, dat het meermalen voorkomt, dat de houder van zulk een bon daarmede op den bedel ging en met gebruikmaking van mijn naam trachtte geld los te krijgen.

Deze gelegenheid moest ik hem dus ontnemen en daarom dit dwarsschrift.

Een kwartier later belde hij weer.

Of hij meneer nog éven spreken mocht.

Welk bezwaar hebt u nu weer?

Sluiten