Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heb ik niks en 't is zoo koud, zoo midden in den winter; ik heb geen geld en geene kleeren en ïkweet niet, waar ik naar toe moet.

Is het niet verschrikkelijk?

Die arme jongen! Hij heeft het hier zoo goed. Zijne lieve vrijheid geeft hij voor een mond gevangeniskost en een stroozak.

XXII.

Gevallen, maar weer opgestaan.

Hij was de zoon van een zeer achtenswaardig man, die vooral op kerkelijk gebied grooten invloed had. Als ouderling had hij de Gemeente tal van jaren gediend, en ook in andere kerkelijke colleges was hij de onmisbare vraagbaak.

Ook hij, als zoon, scheen dien weg op te gaan. Wèl had hij eene drukke zaak, waarvoor hij bijna al zijn tijd en krachten noodig had, maar gedachtig aan het woord van den grijzen Johannes, dat de boog toch niet altijd gespannen kan zijn, meende hij ook wel eenigen tijd te mogen geven voor Zondagsschool en Jongelings-Vereeniging e.d.g. Hij werd, evenals zijn vader, gezegend, en was ten zegen.

Maar ook voorspoed kan verkeeren, en zegen kan worden afgewend, en dan is er veel noodig om staande te blijven in den weg van tegenspoed en beproeving.

Zoo ging het ook hier. Voor den jongen man met zijne bloeiende zaak kwam het eene wolkje van teleurstelling en verdriet na het andere en de wolkjes weiden saamgepakte donkere wolken, zoodat hij ten slotte geene enkele lichtende ster op zijn donker gewoiden levensweg meer kon ontdekken.

Was vader er nog maar. Maar die was reeds ge-

Sluiten