Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebed en in klagen; .... o Heere, Heere, wat moet er toch van mij worden; zoo jong nog, en reeds zulk een verzondigd leven; o Heere, vergeef mij mijne zonden, en delg uit al mijne overtredingen

Vertel mij eens, waar gaat gij ter kerk? zoo viel ik hem in de rede.

Ik ging niet meer naar de kerk, meneer.

Maar uwe ouders dan?

Die gaan bij dominee B. en D.

Dus bij rechtzinnige dominéés. Ja, jongen, dat hoorde ik al aan uw spreken. Verstandelijk kent ge de waarheid zeer goed, en blijkbaar zijt ge er ook wel vóór, maar ge zijt er niet achter. Ik ken u niet, maar ik krijg den indruk, dat ge een persoontje zijt, dat uw ouders al heel wat verdriet, en je zei ven al heel wat schande hebt bezorgd. Door opvoeding zijt ge in de waarheid onderlegd, en die draag je nu hier als een masker.

Maar... (op ietwat lijzigen toon) wat is u toch hard in uw oordeel, 'tls waar, ik heb gezondigd, en ik ben afgedwaald, maar zooals u mij voorstelt, is het door 's Heeren genade toch nog niet

Meer en meer werd ik bevestigd in mijn vermoeden, dat ik hier te doen had met iemand, die — zoo jong als hij was — het reeds ver gestuurd had in de kunst van huichelarij en bedrog.

Maar ik wilde zekerheid hebben. Daarom getroostte ik mij de moeiten en kosten, om eens een bezoek te brengen bij zijne ouders.

Degelijke menschen! Godvreezende zielen. Maar menschen, die gebogen gingen onder het moeilijk kruis, dat dit kind hen op de schouders legde. Wat had ik te doen met die arme moeder, en wat gevoelde ik mede met dien kruisdragenden vader. Wat was er al gedaan, om dat kind maatschappelijk weer op gang te helpen en te houden; wat waren daar telkens heerlijke beloften gegeven en stellige voornemens uitgesproken; wat was er voor en met dat kind gebeden, neen, geworsteld; en nu in de strafgevangenis!

Sluiten