Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat waren die ouders dankbaar, dat er iemand kwam, die hun kind in de cel bezocht, en nu over hem kwam spreken.

„O, meneer, vertel ons toch iets van onzen Johan; kunt u ook eenig gevoel van oprecht berouw bij hem bemerken ?"

De angstige vraag dier moeder, met hare oogen vol tranen en haar stukgeslagen hart, en die vader, die zijne tranen terug drong, maar wiens kin trilde! Wat had ik medelijden met beiden!

En had ik' nu maar een bemoedigend antwoord kunnen geven!

Ik vertrouw hem niet, zeide ik; het komt mij voor, dat hij anders spreekt, dan hij meent.

Maar zijne brieven dan, zouden die dan allemaal gehuicheld zijn...?

Die wilde ik juist eens van u hebben; tot op dit oogenblik heb ik nog geene reden, om te gelooven, dat hij niet huichelt.

Met de ouders sprak ik af, dat zij niet zouden doen blijken, dat ik ten hunnent geweest was, en ik zou hem er natuurlijk evenmin iets van zeggen.

In den trein las ik de brieven, en las die met klimmende ergernis. Welk eene aaneenrijging van teksten; welk eene taal en woordenkeus, een vader in Christus of eene moeder in Israël waardig. Welk eene beschamende belijdenis van zonde en schuld, welke heerlijke beloften voor de toekomst .... Neen, veel had ik in mijn leven gehoord en veel gelezen, maar zoo iets nooit. Schandelijk vroom!

Enkele dagen later bezocht ik hem weer. Op mijne vraag: hoe gaat het u? kreeg ik weer dadelijk een

vloed van tranen Ik zou u wel een raad willen

geven.

Welke raad, meneer, o zeg het me toch!

U moet beginnen een masker af te leggen.

Hoe bedoelt u dat?

Wel, ge draagt nu twee maskers: een gazen-, om

Sluiten