Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den wanhopigen toestand ook maar eenige verbetering brengen kon.

Het gevaar werd steeds dreigender. De schuldeischers begonnen lont te ruiken, en waar eerst niemand kon en wilde gelooven aan hetgeen gefluisterd werd, begon men er van lieverlede in breeder kringen over te spreken.

Op zijne beurt begon hij zijn schuldeischers ook meer de duimschroeven aan te zetten. Het moest. Maar wat geeft het, een steen het vel te willen aftrekken. De een trachtte zich op eene of andere wijze aan zijne verplichtingen te onttrekken, en de ander, en dat waren de meesten, had het niet. En van dag tot dag werd het hem duidelijker, dat hij niet alleen te royaal geweest was met geld leenen, maar dat hij ook te veel gewerkt had op goed vertrouwen.

Het zonnetje was reeds dagen en weken schuil gegaan achter donkere wolken. En aldoor pakten die zich meer samen. Het scheen wel, dat een verschrikkelijk onweder niet lang meer kon uitblijven.

Het was nu zoo ver gekomen, dat hij het woord van den Oud-Testamentischen zanger tot het zijne kon maken:

Zij hebben mij omringd als bijen.

Hij wist zich niet meer te redden. En toch wilde hij zoo gaarne blijven die hij was, en zelfs trachten er zich weer boven op te werken, door voortaan voorzichtiger te zijn — alleen, hij moest geholpen worden.

Maar door wie? Dat wist hij niet. Het was, alsof opeens alle harten en deuren voor hem, die bijna nooit anders had gedaan dan anderen helpen, gesloten waren.

Wat nu te doen?

Als ontvanger eener instelling had hij reeds eenige

Sluiten