Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mannetje dood was en zij hem niet meer zou zien.

Ik wist niet beter te doen dan eenvoudig de nog al verre en lastige reis te maken om die ongelukkige een bezoek te brengen, in de hoop dat mijne mededeeling, dat haar man niet dood was maar leefde en ik hem minstens twee malen per week bezocht, een gunstigen invloed op haar hebben mocht.

Ik weet niet ooit treffender bezoek gebracht te hebben. Die arme kinderen, wat doorleefden die veel met hare moeder. Reeds op straat, juist wat ik zoo menigmaal in de brieven gelezen had, hoorde ik het gegil der ongelukkige.

Het was haar goed aan te zien, dat zij, de ongeveer 35-jarige, eene mooie vrouw was geweest. Maar thans, welk een bouwval; die wilde oogen, dat ingevallen gelaat, die verwarde en door smart vergrijsde haren! En dat gekrijsch — het is nu bijna twintig jaren geleden, maar ik hoor en zie haar nog.

Bij mijn binnenkomen werd zij kalm. Verwonderd en wezenloos vragend keek zij mij aan.

Ik ging naast haar ledikant zitten en gaf haar eene hand, en omdat zij mij vasthield, bleef ik met hare hand in de mijne zitten.

Ik vertelde wie ik was en waarom ik tot haar kwam; dat ik haar man dikwijls ontmoette en hoe hij er uitzag — kortom, ik vertelde haar alles, wat naar mijne meening voor haar belangrijk kon zijn.

De meisjes waren verbaasd, dat zij zoo belangstellend luisterde. Nu en dan deed zij zelfs eene vraag, en het was inderdaad of mijn bezoek voor haar een invloed ten goede zou hebben. Om haar niet te vermoeien zweeg ik nu en dan en vroeg haar zoolang te rusten.

„Leeft mijn mannetje nog?" vroeg zij op eens, als uit een droom ontwakend. Natuurlijk gaf ik een bevestigend antwoord met de bijvoeging — wat ook waar was — dat hij het zelfs zeer wel maakte. Maar

Sluiten