Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij te doen hebben met maatschappelijke schipbreukelingen; met menschen, die dreigen weg te zinken in de zee van zonden, tenzij zij, soms tegen alle hoop en verwachting in, nog tijdig gered kunnen worden.

Die gedachte stond mij, bij dat bezoek, zeker ook voor den geest. Ten minste, ik begon mijn gevoel van tegenzin zooveel mogelijk terug te dringen, en gaf hem, als bewijs van vriendschap, de hand.

Het is een wonder, zoo gevoelig als vele gevangenen daarvoor kunnen zijn. Dit is mij meermalen door ontslagen gevangenen gezegd en verzekerd. Zoo hoor ik b.v. nog dien Katwijker visscher, toen hij, na zijn ontslag, met zijne vrouw mij een bezoek kwam brengen, zeggen: u wist niet, hoe gelukkig ik was, dat u bij uw bezoek, mij eene hand wildet geven. En zoo ook dat zeventienjarig jongmensch, van zeer fatsoenlijke familie, maar nu, tot groote smart zijner moeder, eene weduwe, een groote deugniet: „toen u de hand zoo op mijn schouder lei en mij zoo in de oogen keek, en zeide, toe jongen, vertel me eens, hoe zijt gij hier gekomen, toen vertrouwde ik u dadelijk, en was het mij, of mijn vader tot mij sprak."

Met een vriendelijk woord en een handdruk, kan men soms zooveel doen.

Maar er zijn personen, die men beslist, om welke redenen dan ook, geene hand k&n of mag geven.

Tot deze categorie behoorde deze man nu bepaald niet. Ik gaf hem dus de hand, en deed voorts, alsof ik nog niet wist, dat hij mij te spreken had gevraagd.

Dadelijk begon ik te informeeren, wat ik natuurlijk reeds lang, langs een anderen weg, wist, of hij gehuwd was; naar zijn beroep ënz. enz., en eindelijk, naar de oorzaak van zijne straf.

Het bleek mij al spoedig, dat hij wel ter tale was, en precies wist, wat hij zeggen wilde.

Hij was koopman van beroep. Men zou hem ook kunnen noemen een scharrelaar, een Manusje-van-alles. Hij kon alles gebruiken, wat hem werd aangeboden.

Sluiten