Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze veldwachter was er geen, zooals er velen zijn, vooral in kleinere gemeenten. Wèl leefde hij met de gemeentenaren mede, voor zooverre dit maar immer mogelijk was, maar voorts was hy, de gewezen onderofficier, in zijne betrekking wat hij in den dienst was geweest, een model dienstdoener, maar ook weer geen dienst&fopper, d. w. z. hij stond er op, dat ieder naliet wat de wet verbood en deed wat geëischt werd. Wanneer in de kazerne miliciens pas onder de wapenen waren, en er was een „boertje", dat zondigde tegen reglementen of voorschriften, dan was hij humaan genoeg om zoo'n jongen niet zoo maar dadelijk op „den bon" te zetten, als hij maar wist, dat het een gevolg was van onwetendheid. Maar wee, als hij dacht, dat er moedwil of onverschilligheid in het spel was, want dan „draaide hij hem er zoo diep mogelijk in".

Zoo deed hij ook als veldwachter. Als man der wet wilde hij die zooveel mogelijk handhaven, in 't bijzonder waar het de veiligheid van zaken of personen gold.

Niettegenstaande hij bij schouwing van wegen en slooten, al meermalen getoond had, dat hij niet hield van „iemand-te-zoeken", had het jonge volkje niet veel op met dien nieuwen „champetter". Met zijn voorganger, dien „goeien ouwen baas", konden zij doen wat zij wilden, maar met dezen ging dat niet. Wanneer iets gedaan werd, dat niet in den haak was, begon hij al dadelijk te waarschuwen; bij eene tweede overtreding waarschuwde hij soms nog eens, en als hij meende, „dat het nou maar eens uit moest zijn", dan was het ook uit, maar dan ten koste van een proces-verbaal.

Vooral des Zaterdags-avonds kreeg hij de handen vol werk. Zoodra, naar dorpsgewoonte, 's middags als ter voorbereiding tot den Sabbat, die vooral ten platte lande zoo bijzonder in eere is, het werkpakje was verwisseld voor de Zondagsche kleedij, ging men naar't dorp, en daar ontmoetten de jongelui dan elkander by de bank, of onder den boom of bij de smidse, of ook wel, wat helaas drukker werd, in de herberg van 't

Sluiten