Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mij, dat ze zich erg hadden moeten inspannen, om het antwoord te kunnen geven.

Nog een proef ter vaststelling van de geschiktheid, een bijgewoond feit op de juiste plaats in de tijdruimte te brengen, volge hier: 1

Den dag na het geval met den rooden zakdoek, dat de algemeene belangstelling had ondervonden, vroeg ik, na de kinderen met een afkeuring te hebben bedreigd, in geval ze verkeerd antwoordden, of het gisteren, gisterenmorgen of gisteren middag was gebeurd. Terwijl alle antwoorden hadden moeten luiden: gisterenmorgen, schreven:

middag 5 kinderen.

ik weet het niet 7 kinderen,

dat is totaal bijna Va deel der kinderen onjuist of niet. Het feit had plaats in het eerste lesuur onder het relcenen Toen ik den kinderen nu verzocht, op te schrijven, onder welk leervak het geschiedde, kreeg ik tot antwoord:

taal 1 leerl.

lezen 2 le»l.

ik weet het niet 8 leerl.

dus weer bijna Va deel der leerlingen onjuist of niet.

Forceering van het geheugen.

Door een eenvoudige proef heb ik mij kunnen overtuigen, welke toename van goede antwoorden er plaats heeft, bij forceering van het geheugen. Op een Maandagmorgen vroeg ik, of alle kinderen nog wel zouden weten, wat ze den vorigen dag hadden gegeten. Ik deed dat op een Maandag, in de wetenschap, dat ook in arbeidersgezinnen des Zondags iets anders wordt gegeten, dan door de week. Het eten van Zondag mocht dus Maandag nog wel in herinnering kunnen komen. Op mijn vraag nu: „Wie van jullie weet er niet meer, wat hij gisteren heeft gegeten?" staken 21 kinderen den vinger op.

Nadat die kinderen op mijn verzoek een kort oogenblik

Sluiten