Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tuige werd gehoord Duenis Cornelisz, een jongen van 5 of 6 jaar. Genoemde knaap „redelick zoo 't uuytwendich scheen in verstande," werd ontboden, om den heeren te vertellen, wat hij aan zijn kameraadjes had gezegd van een „lieven heere, die bij zijn besken zoude commen." Zooals te denken is, was het ventje verbaasd en bevreesd en durfde hij niets zeggen. De baljuw wist echter, hem nu eens een stuk koek belovende, dan weder dreigende, met een roede en onder belofte van niets te zullen verklappen, het kind tot spreken te brengen. „Ten diverschen reysen suchtende" heeft hij eindelijk „vrymoedelick" verteld, dat bij zijn besken (dat is de van hekserij beschuldigde vrouw) iemand kwam van den zolder, de trap af. Besken had hem gezegd, dat het „ons lieven heere was," maar hij had gezien, dat die heer in roode kleeren ging, en paardenvoeten had. Altijd bracht hij wat voor besken mede, boter, kaas en roggebrood. Dan sliepen zij met hun drieën in de bedstede, de heer met paardenhoeven achterin, dan besken en hijzelf voorin. Mr. L. M. Rollin Couquerque, Tijdschr. voor Strafrecht, deel XII afl. 2 en 3, blz. 133.)

In een zeer belangrijk artikel (Tijdschrift voor Strafrecht deel XII afl. 1 en 2) haalt Prof. D. Simons, Hoogleeraar in het Strafrecht te Utrecht Matthaeus aan:

„Puberes in criminalibus testes esse non possunt nisi expleverint annum visesium," zoodat iemand beneden de 20 jaren als kind wordt beschouwd en niet bevoegd, in strafzaken te getuigen.

Ons tegenwoordig Recht.

Ons wetboek van strafvordering laat kinderen beneden de 16 jaren niet als getuigen onder eede toe in strafzaken; hoogstens mag de ^echter van hun verklaringen gebruik maken als aanwijzingen. Prof. Simons komt in zyn betoog tot de conclusie, dat den rechter de bevoegdheid dient

Sluiten