Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woordt koudweg: „dieses Subject Itiii j;i eben auch ich selbst, wie jedes Erkennende es ist". — Schopenhauer heett met deze oplossing zijn pantheïstisch gemoed gelucht. Hij zegt: ik zeil hen kennend subject en als zoodanig stel ik mijn licbiiam voor. Dit blijft derhalve bestaan, ook al zou er buiten mij geen ander kennend wezen meer zijn, m. a. w. het kennend subject is oorzaak van zich zeil', van zijn eigen bestaan. Het inenschelijk verstand, ja, liet dierlijk kenvermogen wordt in eens verheven tot „Trager der Welt". De praerogatieven, welke wij alleen aan een buiten den Kosmos staande Scheppende Almacht toekennen, worden gemeengoed van ieder wezen, «lat verstandelijke ol' zinnelijke kennis heelt. — Het antwoord op de vraag „Woher die Welt"'? is gegeven.

Alvorens onzen wijsgeer verder te volgen bij de uiteenzetting en bevestiging zijner leer door indirecte bewijsvoeringen, achten wij ons genoodzaakt, ons een oogenhlik te verpoozen aan echte Hegeliaansche „Veruünl'telei," door Schopenhauer in zijn systeem opgenomen.

Het idealisme — wellicht beter apriorisine — beperkt onze kennis tot onze gewaarwordingen. Wat niet binnen hel bereik van ons zelfbewustzijn valt, kan niet het voorwerp zijn van ons kenvermogen. Derhalve is de reëele wereld voor ons slechts datgene, wat wij er van maken, gelijk wij ze ons verheelden naar aanleiding en ten gevolge van zinnelijke gewaarwordingen. Er is dus geen object zonder subject. Deze twee zijn correlatief, het eene vordert het andere. Kan iets niet worden waargenomen, niet worden voorgesteld, omdat het niet op ons inwerkt, dan is hel niet object en kan dit ook niet zijn, maar dan bestaat er ook te zijnen opzichte geen subject. De meest algemeene vorm derhalve, waaronder onze voorstellingen voorkomen, is volgens Schopenhauer in Hegels taal: subject en object. Dat is als het ware de transcendenteele notie, waaronder alle overige kunnen worden gerangschikt, van haar gaat alle kennis uit. Evenals bijv. de Scholastiek leert, dat de meest algemeene vorm, waaronder zich een wezen vertoont, is, dat het iets is, zoo, zegt Schopenhauer, vallen alle waarne-

') Het Monisme pronkt steeds gaarne met dualistische veeren.

Sluiten