Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mingen onder den vorm „subject en object'*. We kunnen geen voorstelling hebben zonder een voorstellend wezen en een voorwerp, dat voorgesteld wordt. Alle andere vormen van tijd, ruimte, oorzaak en gevolg zijn veel minder algemeen en vallen dus noodzakelijk onder bovengenoemde van subject en object. Stellen we ons een voorwerp voor in de ruimte of in den tijd of beschouwen wij de wezens als elkander opvolgend, als een aaneenschakeling vormend van verschijnselen, dan ligt aan deze drie verschillende vormen steeds ten grondslag, dat er een object en een subject is, dat „die Welt ist meineVorstellung". Subject nu is ieder mensch voor zooverre hij kent, niet voor zooverre hij gekend wordt. Object is op de allereerste plaats 's menschen eigen lichaam, wijl dit valt onder de vormen van tijd en ruimte, welke alleen bij het object, nooit bij het subject kunnen behooren, weshalve ook het subject nooit gekend kan worden. *)

Zoolang Schopenhauer den invloed onderging van zijn leermeesters in het transcendentalisme, en nog op idealistisch standpunt stond, trachtte hij het dogmatisme of, wat voor hem gelijke waarde heeft, het realisme te weerleggen op echt Hegeliaansche wijze. Hij bediende zich met opzet van holklinkende frasen, nietszeggende woorden; gebruikte de taal van den door hem zoo verafschuwden „Unsinnschmierer" — Hegel, — omdat deze alleszins meester was in de kunst ongerijmdheden op elkander te stapelen, ze te bedekken met een niet doorschijnenden sluier van duistere grootspraak en aldus voor het zoekend menschenverstand te verbergen. Dit alles had onze Frankforter fdozoof toen het meeste noodig; maar later toen hij meer overhelde tot het sensisme, veranderde hij zijn tactiek. Wel houdt hij nog vast aan hetzelfde beginsel, uitgedrukt in aprioristische vormen, doch hij steekt het in een nieuw kleedje: we zouden kunnen zeggen: als idealist weerlegt hij het dogmatisme op materialistische wijze. Een staaltje, een proef hiervan kregen wij onder de oogen in het begin onzer beschouwingen en thans zouden wij denzelfden idealist op idealistische wijze over dogmatisme moeten hooren.. Uit boven aangehaalden Hegeliaanschen humbug zal 't intusschen wel iedereen duidelijk zijn, dat onze (ilozoof feitelijk niets anders debiteert en niets beters weet in

') Vgl. Werke bd. 2: Welt als Voretellung. § 2 en 5. Sch.

2

Sluiten