Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men wordt, op eene of andere wijze aanwezig is in het wezen dat zietde zintuigen staan tot de zinnelijke wezens in dezelfde verhouding als datgene, wat de werking in zich opneemt en datgene, waarvan de handeling uitgaat. Alleen als onze zintuigen worden aangedaan door stoffelijke wezens buiten ons, hebben wij zinnelijke gewaarwordingen; ontbreekt derhalve een dergelijke zaak, dan kan de mensch niets waarnemen, evenals het onmogelijk is, dat iets bewogen wordt, zonder dat er iets zij, waardoor het wordt bewogen". — Deze en dergelijke uitspraken, die aan duidelijkheid niets te wenschen overlaten, steunen alle op de passiviteit der zintuigen en op het beginsel: dat elke bestaansvorm steeds zijn evenbeeld tracht voort te brengen, zooals de warmte haars gelijke, warmte, voortbrengt in de dingen waarmede zij in aanraking komt. De natuur immers vertoont zich, gelijk zij is, en verricht die werkingen, doet datgene, wat met haar wezen in overeenstemming is. Iets anders geven, dan zij zelve heeft, gaat hare krachten te boven en daarvandaan de even diepzinnige als juiste leer der Ouden. Op het oogenblik, dat onze zintuigen iets waarnemen, zijn zij het waargenomen voorwerp zelf, wijl beide slechts éen geheel uitmaken, evenals uit verwerkelijking en mogelijkheid slechts éene werkelijkheid, uit actus en potentia maar een „unum" ontstaan kan. Het „unum", hier bedoeld door de oude wijsgeeren, is niet hetzelfde als waarover Schelling en met hem zoovele anderen spreken in moderne monistische opvatting. Aristoteles en zijn groote volgelingen tot op onzen tijd kennen niet een een-zijn in natuur, zij weten van geen vereenzelvigen naar hun werkelijk bestaan van kennend wezen en gekend voorwerp, 't is hun een dwaasheid, een onmogelijkheid, dat twee individuen één zijn met elkander zouden deelen, zij kennen slechts een één worden naar den vorm: „Het zintuig neemt den vorm van het stoffelijk wezen in zich op, maar niet de stof zelf, gelijk in het was de vorm van een ring wordt afgedrukt, maar niet het ijzer of goud, waaruit de ring bestaat. . . Evenals de werking wordt bepaald door den aard, den bestaansvorm van het handelend wezen en niet door het algemeene beginsel van zijn stoffelijk beslaan, de materie, zoo ook ontvangt het wezen, waarop de werking overgaat, alleen den vorm zonder de stof, alleen den indruk, waardoor het handelend wezen zich kenmerkt, niet dit wezen zelf, een beeld der werkelijk-

Sluiten