Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid niet de werkelijkheid zelve". *) — Het gezonde realisme ontleent zijn immateriëelen inhoud aan het materieel bestaan der dingen. Een eenvoudige beschouwing van 's menschen wezen dwingt ons deze theorie als de eenig ware te erkennen. Schopenhauer moge spreken over een oog dat ziet, een oor dat hoort, eene hand die voelt en betast; dit zijn alles slechts woorden, zonder beteekenis. In de taal van dezen filozoof is de mensch geen mensch meer. Het wezen, waaraan die naam gegeven wordt, is een samenstel van heterogene bestanddeelen, die niet door den band van eenzelfde bestaan met elkander vereenigd zijn. De ziel animeert het organisme niet. Rn als wij dan in de sententie van Schopenhauer nog spreken van organen, dan is dit in overdrachtelijken zin, bij wijze van analogie; want een orgaan, dat zijn aandoening en werking dankt aan een uitwendig beginsel, maar niet aan een leven gevende, alles doordringende ziel, kan wel een kunstig bewerkt toestel wezen, de hoofdvereischte als orgaan mist het heelemaal. Descartes zelf heeft dit erkend, als hij de dieren terugzette tot machines, tot automaten. Blijkbaar durfde hij de consequenties niet aan, want anders had hij van den mensch hetzelfde moeten zeggen, wijl dezelfde reden aanwezig is. Is de ziel geen forma informans meer, maar slechts een forma assistens, dan is de zelfstandige eenheid, het unum substantiale verbroken en blijft er slechts een unum accidentale over, d. w. z. een willekeurig geheel, een eenheid desnoods met kunst en vliegwerk tot stand gebracht. 2)

¥

Schopenhauer beweert, dat de materie slechts in en voor het verstand bestaat, d. w. z. verstand en materie zijn korrelatief, het eene bestaat slechts ter wille van het andere, beide staan en vallen „mit einander," het eene is slechts de weerkaatsing—Reflex — van het andere, ja, eigenlijk zijn beide een en hetzelfde van twee verschillende zijden bezien en dat ééne is niets anders dan de „Erscheinung des Willens" of „des Dinges an

I) Vgl. St. Thomas S. Theol. I» Qu. 12 art. 2; I» Qu. 55 art.1 a«l. 2»,. De verit. Qu. 26 art. 3; Summa C. Gentiles II C. 57; De An. II 1. 14, 1. *4,

Men^houde het ons ten goede, zoo wij hier steeds gesproken hebben van ziel en lichaam, 't Is noodgedwongen. Zelfs de knapste momstisnie in staat zich verstaanbaar te maken, tenzij hy dualistisch redeneere. dit pleit tegen de leer.

Sluiten