Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i) Voor zoover we konden nagaan, drukt Schopenhauer wel met veel omhaal van woorden, waarin wellicht een meerdere verklaring te vinden is, steeds dezelfde gedachte, in dit bewijs reeds vervat, opnieuw uit. Doch hij heeft ook nog een quasi-argument uit het dagelijksch leven genomen. We zeggen bijv. het water wil doorstroomen, de plant wil niet groeien, de hond wil niet blaffen enz. enz. ... Sinds wanneer zijn figuurlijke uitdrukkingen wijsgeerige bewijzen geworden i

in welchem das innere Wesen der Welt besteht.' De kennis van ons zelve brengt ons tot de kennis aller dingen. — Met deze redeneering heeft Schopenhauer zijn stelling, naar hij meent, voldoende bewezen. Hij bekommert er zich volstrekt niet meer om, nog andere bewijzen aan te voeren. *) De zaak is overigens op zichzelf reeds duidelijk en eenvoudig genoeg. Wij analyseeren het een of ander voorwerp, dat ons onder de oogen komt; wij lossen het op in zijn elementen en houden als enkelvoudig bestanddeel steeds alleen den „W ille over. Niettegenstaande Schopenhauers zoo gemakkelijke resolutie \an het allergewichtigste vraagstuk — hier, evenals op sommige andere plaatsen, laat onze wijsgeer zich klaarblijkelijk misleiden door het niet altoos ware „simplex sigilluin \eii — gelooven wij toch, dat menigeen zal betwijfelen, of het wel metterdaad de wil is, welke in de plant vegeteert, welke de krystallisatie bewerkstelligt, de magneet naar de Noordpool doet wijzen en aanwezig is bij ieder samensmelten of afzonderen van alle mogelijke stofdeeltjes. Niet als zouden we ook maar een enkel oogenblik voet willen geven aan de gedachte, dat al deze verschillende verschijnselen en nog zoovele andere niet tot één oorzaak moeten worden teruggebracht, maar wij noemen deze oorzaak niet: wil, en nog veel minder denken wij daarbij aan een wezen, dat in alle dingen aanwezig is als essentieel deel en dat, boe verschillend de wezens oveiigens ook mogen zijn, toch steeds overal en in alles een en hetzelfde is. Ons: „unde, eo, omnia" is een Ens extramundanum, is God. — Doch wij gaan Schopenhauers bewijsvoering verder na.

In de inleiding, welke Frauenstadt voor Schopenhauers werken schreef, zegt deze vrome leerling en vurig vereerder van den Frankforter wijsgeer: dut een metafysica zonder een zeker anthropomorfisme eenvoudig onmogelijk is. Het anthromorfisme nu is tweevoudig; het religieuze — waarvan hier geen sprake is — en liet lilozolische. Dit „erfasst das innere, allgemeine Wesen des Menschen, und nach Analogie dieses

Sluiten