Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij. Kant heeft bewezen „dass der Weg des früheren, redlich vèrfahrenden Dogmatisnnis, von der Welt zu einem Gott, doch nicht dahin führe" x). Kant is Schopenhauers evangelie; Herder, Laplace, Cabanis, Cuvier, Buffon, Lamarck, von Baer zijn zijn Kerkvaders. Steviger Darwinistische basis voor zijn evolutieleer is niet denkbaar. Wij zijn evenwel niet van plan dit fondament verder te ondermijnen, de boven besproken kuikentheorie zij voldoende. Slechts een woord van dank moeten wij Schopenhauer brengen voor de welwillendheid, waarmede hij den God van het dogmatisme behandelt in tegenstelling met ziin eigen God, den wil. Terwijl den eerste, zoo hij zich „hatte bei»ehen lassen, sich in eine solche Welt — bestandig bedürftiger Wesen, die bloss dadurch, dass sie einander auilressen, eine Zeitlan'g bestehen, ihr Dasein unter Angst und Noth durchbringen und oft entsetzliche Quaalen erdulden, his sie endlich dem Tode in die Arme stürzen — zu verwandein, dochwahrüch den Teufel geplagt haben müsste," moet zijn wil zich dit alles laten welgevallen, ja meer nog, hij is een boosaardige wil die voortdurend aan zich zei ven knaagt om nieuwe „Abstufungen", nieuwe „Erscheinungen" voort te brengen en ook deze weer te doemen tot ontzettende kwalen2). — Waarlijk troostlooze theorie dergenen, qui spem non habent!

Schopenhauer kent den dieren wel verstand toe, d. w. z. een virtus aestimativa, welke het zinnelijk kenvermogen 3) niet te bovengaat en aan tijd en plaats - hic et nunc - gebonden is, maar nooit zal hij het wagen „diesem Grade der Erscheinung Vernunft beizulegen". „Vernunft" heeft alleen de mensch, die daardoor in staat gesteld is algemeene begrippen te vormen, het verleden, heden en toekomst te beheerschen, in zich op te nemen. Wiens wil daarom — het is het woord van Schopenhauer — „eine höhere Steigerung" bereikt en handelingen verricht, welke van die der redelooze dieren „wesentlich" verschillen. Was het nu onzen wijsgeer niet te doen

') Vel. t. a. p« bd. 3, bldz. 399.

*) Vel. t. a. P. bd. 3, bldz. 398 en vlg. , ,

' BH de lagere diersoorten is dit niet zoo goed ontwi^eld als bij de hoogere, omdat de zintuigen nog onvolmaakter zijn, hetgeen afhangt va

Rediirfnisse " welke alleen berekend zjjn op een embryonisch verstand, terwHl bii de volmaakte diersoorten om "dezelfde reden nu en dan „eine schwache Spur einer antheilslose Aufifassung der ümgebung valt waar te nemen.

Sluiten