Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om, ten koste van alles, zijn afgod, den wil, te redden, dan bracht hij hier, gelijk op zoo menige andere plaats, het hem welbekende en nooit door hem geloochende beginsel: „operari sequitur esse in toepassing. Zooveel echter durven wij van hem niet verwachten; hij ware Schopenhauer niet meer. Liever zich zeiven tegenspreken, dan zijn beginsel prijsgeven. Dan echter neme hij het ons ook niet kwalijk, zoo wij hem zijn eigen woorden voor de voeten werpen: niets is verdrietiger dan na v eel disputeeren tot de ontdekking te komen, dat de tegenpartij niet naar gegronde redenen luisteren wil*). Wij zeggen wil" omdat Schopenhauer het zeggen wil. Sprak hij met den 'moed' der overtuiging, dan moest hij erkennen, dat in zijn systeem zelfs voor den menschelijken wil yeen plaats meer is .... maar hierover later. Voor het oogenblik besluiten wij met de woorden van P. Pesch : „Beim Tiere erblicken wir alle Plianomene des sinnlichen Begehrens und sinnlichen Erkennens. Wir sehen, dass sie durch bestimmte innere Urtheile in vielen Fallen zu zweckentsprechender Handlungsweise geleitet werden, gerade so, wie dies beim Menschen geschieht. Darum dürfen wir beim Tiere gerade so, wie beim Menschen, von einem sinnlichen Erkenntnis- und Begehrimgsvermögen reden. Aber kein Phiinomen verrat hier ein die Materie übersteigendes und von der Materie unabhangiges Erkennen und Begehren. Vernunft und Wille kommen also in Wegfall; wir haben hereits bei der Uebertragung (les Menschlichen auf Tierisches eine ei'hebliche Subtraktion zu machen" 2).

Quid superhit homo ? Cujus conceptio culpa,

Nasci poena, labor vita, necesse mori3).

Deze woorden schrijven wij graag in capite libri, waarin wij handelen over den mensch, zooals Schopenhauer ons hem voorstelt. Niet omdat wij vreezen, dat onze wijsgeer den koning der schepping te veel zal ophemelen, neen, juist omdat de aangehaalde sententie zoo geheel en al toont het wezen der leer van hem, die haar neerschreef, van Schopenhauer,

') Vgl. t. a. p. bd. 3, bldz. 253.

') Vgl. Pesch: Weltratsel, bd. 1, bldz. 478.

3) Vgl. t. a. p. bd. 6, bldz. 216.

Sluiten