Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

snbstantialis van Aristoteles en de scholastiek iets goeds in de plaats te stellen. Hij beproeft het met den wil, maar deze bezwijkt onder den last hem opgelegd. Wel tracht Schopenhauer telkens weer, hem op te beuren en hem nieuw leven in te storten, 't Mag niet baten. „Der Wille zmn Leben" kan den strijd om het bestaan niet volhouden. Steeds meer en meer gehavend komt hij uit het strijdperk, tot hij op het laatst, niet het minst door Schopenhauers eigen ruwheid, geworden is tot een vormlooze massa, tot een „monstrum informe", bestemd om onder te gaan in oneer en schande.

Schopenhauer plaatst verstand en wil tegenover elkaar om te zien, wie van beide <le eereplaats verdient, wie van beide op de meeste rechten, de grootste en verhevenste verdiensten aanspraak kan maken. !) Uit al het voorafgaande blijkt echter reeds meer dan genoeg, naar welken kant in den geest van onzen lilozool' de balans moet overhellen. Het verstand is voor hem geen beginsel, dat met den wil aan eenzelfden stam ontspringt, dat dus eenigszins op gelijken voet dient behandeld te worden; het is veeleer een lootje, opgeschoten uit den tronk „wil", het is „eine Funktion des Gehirns", dat op zijn beurt slechts een „Parasit" is van het overige organisme, terwijl dil de „Sichtbarkeit, Objektitat des individuellen Willens " 2) is. Derhalve in plaats van liet verstand als „ebenbürtig" te erkennen met den wil, wordt het vervormd, verlaagd tot een accidens van een parasiet.

Schopenhauer, die tot de uiterste ongerijmdheden gekomen is, die in elk stofdeeltje niet een gedeelte maar den geheelen wil ziet, had gaarne het verstand gewoonweg geloochend, maar dit plantje, dat onkruid, door hem zoo versmaad en veracht, heeft hij broodnoodig. Hij moet zijn theorie aan den man brengen. En het stoot te veel tegen de borst verstand en wil te vereenzelvigen, erger nog het bestaan van het verstand

') Ook Scotus was van meening, dat den wil de voorkeur toekwam boven het verstand, maar zijn voluntarisme is veel onschuldiger dan dat onzer moderne wijsgeeren. Volgens Scotus was de wil niet het wezen der dingen, maar wel meende hij, dat 's meuschen hoogste volmaaktheid bestaat in de vrijheid en zedelijkheid, welke wortelen in den wil.

') Vgl. t. a. p., bd. 3, bldz. 224.

Sluiten