Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in lange praemissen. Onze wijsgeer verricht nutteloozen arbeid met al zijn redeneeren en komt, wat meer is, in strijd met zich zeiven, met zijn eigen „Tnneres". Hieraan echter hecht Schopenhaner niet veel waarde. De gewoonte zichzelven tegen te spreken is bij hem als het ware een tweede natuur geworden en zijn gemoed legt den alles beheerschenden wil gemakkelijk het zwijgen op.

Doch er is meer. De bewijsvoering van Schopenhaner steunt op materialistischen grondslag. Het verstand is „eine Funktion des Gehirns" en evenals nu de zintuigen niet in staat zijn zichzelf te kennen (het oog ziet zich evenmin als het oor zich hoort) zoo kan ook het verstand niet tot zelfkennis geraken, wijl het verbonden is aan het „Gehirn". — Werd deze laatste reden, in plaats van als axioma opgezet te worden, afdoende bewezen, wij zouden met onzen wijsgeer in moeten stemmen, niet alleen voor zoover het bewustzijn er mee gemoeid kan wezen maar ook waar er kwestie komt, of het mogelijk is, dat een ot ander kenvermogen in zichzelf keert om zijn eigen handelingen, zijn eigen natuur te bespieden. Het oog ziet niet. dat het ziet, 'het oor hoort niet, dat het hoort, geen enkel zintuig is in staat zich zelf te controleeren, maar het verstand begrijpt wel, dat het Ingrijpt, omdat het niet gebonden is aan een of ander orgaan. Was Schopenhaner niet ziende blind en hoorende doof geweest, hij had het dwaze van zijn betoog ingezien en wellicht, zoo 't nog mogelijk was, was hem het schaamrood op de wangen gekomen enkel bij de gedachte, dat hij zich aan de wereld vertoonde als een dwaas, wiens plaats is in het „Tollenhaus". Hij bevindt zich op het standpunt van iemand, die niet begrijpen wil en daarom kan hij de conclusie neerschrijven: dat het kennend subject niet gekend kan worden. Deze consequentie ('?) wordt bij hem axioma en neemt in 't vervolg de plaats in van het oude: ken u zeiven, waarvan hij de mogelijkheid loochent. En toch beweert hij telkens weer opnieuw, dat de mensch „Vernunft", het dier „Verstand" heelt en vindt beide dan voldoende voor volmaakte zelfkennis en

voor zelfbewustzijn.

Nog een ander punt in Schopenhauers bewijsvoering is ons niet erg duidelijk, tenzij wij ook daar weer liet eeuwige „ipse dixit" veronderstellen. Zelfkennis bestaat volgens onzen wijsgeer steeds uit twee elementen: verstand en wil. Als het nu waar

Sluiten