Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met den mensch houdt de ontwikkeling van den wil op. Zijn productievermogen is uitgeput, omdat Schopenhauer het zoo wil. Van den beginne af heeft hij ons reeds gewaarschuwd, hij beschouwt slechts de zichtbare, de beslaande wereld. Hij vraagt niet, of er nog iets anders is of wezen kan. Alles, wat niet „angeschaut" kan worden, laat hem, oogenschijnlijk ten minste, koud en onverschillig. Zijne wijsbegeerte is een Philosophia naturalis, die zich uitstrekt tusschen de twee polen: stof en mensch. Heeft zich de wil eenmaal in den redelijken mensch gemanifesteerd, dan wordt zijn macht gefnuikt; hij splitst zich in tweeën, wordt verstand en wil, die beide huns weegs gaan, zonder elkander op een of andere wijze te heinvloeden. De wil voelt niet meer den prikkel der „Bedürfnisse," gelijk het geval was op den weg der zichtbare wereld. Wel zal hij nog trachten hier en daar van gewone menschenkinderen buitengewone te maken, somtijds zal hij nog opklimmen van domkop tot genie, Friedrich Nietzsche zal den „Wille zum Leben" nog omzetten in „Wille zur Macht"; tot een Ueberinensch van een hoogere species brengt de wil het niet meer. De drang der natuur heeft opgehouden, zoodra verstand en wil gescheiden werden. Zelfs het genie is niet in staat den wil de kracht, die hem verlaten heeft, terug te geven. In het genie toch komt „die Welt zur vollkommnen Objektivation"; het „steilt ein reines, deutliches, objektives Bild der Aussenwelt zwecklos dar" en niet in betrekking tot den wil, aan wiens macht en gezag het op dit punt heelemaal is onttrokken. Het genie, de „abnormer Uebermaass des Intellekts" is „für die Absichten des Willens unnütz, in den höheren Graden sogar storend und kann ihnen selbst schadlich werden' 1). Gaarne doet dus de wil onder dit opzicht atstand van zijn recht op de heerschappij over het verstand, dat hem „schadlich werden kann" evenals iedere ernstige aansporing en

krachtsinspanning tot iets, wat onbereikbaar is De wil, als

machteloos, wordt tot werkeloosheid gedoemd, voor zoover het wezens betreft, die van verhevener natuur zijn dan de mensch.

Schopenhauer mag zich zeiven geluk wenschen, dat hij zijn droom ten einde toe heeft uitgedroomd. Niet naar het „Woher, Wohin, Warum der Welt" heeft hij willen zoeken, maar slechts

1) Vgl. t. a. p. bd. 3 bldz. 431 en vlg.

Sluiten