Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verwekken; het geheel is een waugestalte, het product vdii een verlamden geest, die tot waanzin overhelt.

Het monisme van Scliopenhauer toont, tot welke afdwalingen liet menschelijk verstand komt, als het eenmaal afgeweken is van de ware, werkelijke wereldbeschouwing en zich gaat wenden tot eigen maaksel. Wij zagen het bij het naspeuren der ruwe trekken zijner cosmologie, wij zullen het beter begrijpen, als wij meer tot bijzonderheden afdalen.

Volgens Scliopenhauer bestaat er een „grundwesentlicher Unterschied" tusschen de organische en de anorganische natuur, zelfs de minste verschijning, de laagste uiting van gene kan onmogelijk tot deze worden herleid ol teruggebracht. Daarom berispt hij diegenen onder de wijsgeeren, die alle fysiologische werkingen afleiden uit een bepaalden uitwendigen vorm, uit vermenging van elementen, uit electriciteit, uit chemische hoedanigheden of mechanische eigenschappen*); daarom ook weerspreekt hij Lamarck, die beweert, dat het leven samengesteld is uit „le calorique et la matière électrique"2), en verklaart diens leer voor absurd. Het organisme, zegt hij, is niet, gelijk in den laatsten tijd met zooveel driestheid wordt verkondigd, een aggregaat van fysische, chemische, mechanische krachten, welke toevallig samenwerken en het leven vormen. Was dit zoo, dan zou mensch en dier niet meer de „Darstellung einer eigenen Idee, d. h. nicht selbst unmittelbar Öbjektitat des Willens" zijn3). Leven beteekent dus iets anders, iets, dat niet in alle wezens te vinden is.

Leven geeft iets blijvends te kennen en wel iets blijvends in den vorm. Van een lichaam, meent Scliopenhauer, wordt gezegd, dat het leeft, als het zich in zulk een toestand bevindt, "lat het niettegenstaande alle verandering en voortdurende wisseling der materie toch steeds zijn wezenlijken substantieelen vorm behoudt. Deze toestand definieert het leven.4)

Wellicht zal inen tegen deze omschrijving inbrengen, dat bijv. een waterval trots alle gestadige verandering van materie

>) Vgl. bd. 2 bldz. 168.

») Vgl. Phil. Zool. bd. 2 c. 3.

J) Vgl. bd. 2 bldz. 169.

») Vgl. bd. 6 bldz. 171.

Sch. 7

Sluiten