Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezens toch, hoogere en lagere, zijn in voortdurende wisselwerking: de stof wordt water, kristal, plant, dier, mensch; de inensch vergaat tot stof en de verandering in klimmende verhouding begint opnieuw; waar is hier sprake van een vasten vorm? Waar is dan de door Schopenhauer zoo hooggeroemde „pejor conditio" van 'de levende tegenover de leveidooze

wezens'? Zoodra Schopenhauer zijn monisme laat varen,

zijn éénige forma substantialis vaarwel zegt, het levensbeginsel niet meer beschouwt als een gewone kracht der natuur, welke, alleen maar omdat hij, de Urheber ervan, het wil, aan geen verandering onderhevig is, zoodra zullen wij lagere met hoogere wezens inderdaad kunnen vergelijken, zullen wij kunnen nagaan» welke van deze categorieën een meer of minder benijdenswaardige positie inneemt tegenover haar medeleden in de wereldorde.

Doch Schopenhauer heeft krachtiger argumenten.

Het voortdurend ontstaan van nieuwe wezens en het „Zunichtewerden der Vorhandenen" is slechts een illusie, welke veroorzaakt wordt, wijl wij alles zien door twee geslepen glazen: ruimte en tijd (Gehirnfunktionen). Alles, wat wij hierdoor waarnemen is slechts „Erscheinung"; wat de „Dinge an Sich" zijn, weten we niet.x) Daarom als wij het eene wezen zich aan onzen blik zien onttrekken, zonder dat wij ooit vernamen, waarheen het ging, als wij het andere zien opkomen, zonder dat wij konden nagaan, waarvandaan het kwam, terwijl toch beide dezelfde gestalte, denzelfden vorm, hetzelfde karakter, dezelfde essentie hebben, moeten wij dan niet besluiten, dat hetgeen verdween en hetgeen zijn plaats weer inneemt „Eines und dasselbe Wesen sei." Wij kunnen niet beweren, dat de geboorte van een dier een ontstaan uit niets en derhalve zijn dood een terugkeer in het niet beteekent. Veel minder nog kunnen we zeggen, dat de mensch, uit niets geboren, een eindeloos en nog wel bewust voortbestaan heeft. Dat alles druischt in tegen het gezond verstand en is ongerijmd. Het ware symbool der natuur is de cirkel „weil er das Schema der Wiederkehr

') Vgl. bd. 6 bldz. 287. Dit is de kern der Kantiaansche wijsbegeerte, waaraan niet genoeg kan worden herinnerd „uach einer Periode, wo feile Scharlatanerie, durch ihren Verdummungsproees, die Philosophie aus Deutschlaud vertrieben hatte."

Sluiten