Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ón bewustzijn èn lichaam steunen, „<ler W ïlle is het, wat nooit verandert of vergaat. Daarvandaan, dat de cirkel het juiste, ware beeld is van de natuur, van het „alles wordt". — In de aangehaalde bewijzen heeft Schopenhauer het woord gegeven aan de oude Indische wijsbegeerte aan Brahmanisme en Bouddhisme, die „ganz konsequent zur Fortdauer nach dem Tode ein üasein (haben) vor der Geburt, dessen Verschuldung abzubüssen dieses Leben da ist," „dtnn zu einer Schöpfung aus Nichts passt keine Unsterblichkeitslehre"; daarvandaan, dat beide leerstellingen veel meer vat hebben op den mensch, „als solche, welche ihn aus Nichts gemacht sein, und seine von einem Andern empfangene Existenz wirklich mit der Geburt anfangen lassen." — Het lust ons niet de metempsychose, zooals de Indische wijsbegeerte die leerde in den ltreede te weerleggen. Schopenhauer kende haar niet in dien vorm. Zij past niet juist in zijn systeem en zou afbreuk kunnen doen aan zijn monisme. Hij neemt een palingenesis aan van een bijzondere soort, eene, die „fiir den grossen Haufen der Buddhaisten zu subtil" is; over deze zullen we weldra een woordje zeggen. Eerst dienen wij nog op te merken, dat de herinnering aan dingen, welke op onze jeugd betrekking hebben, absoluut genomen, nog niet het bewijs leveren voor onze onsterflijkheid. Ook de dieren hebben herinnering van wat hun vroeger overkwam, al is het dan ook niet juist onder den vorm van verleden, zij herinneren zich de feiten als feiten, maar niet als vroeger gebeurd; hiervoor is een hooger vermogen noodi»', een vermogen, dat niet gebonden is aan de stof en zich derhalve niet beperkt tot het „hic et nunc." Wanneer wij nu in een wezen geheugen aantreffen, dat verband ziet tusschen de dingen, die vroeger plaats hadden en den tijd, waarin zij zich bevonden, dan kunnen wij uit die herinnering besluiten tot de onsterflijkheid van het wezen, dat met dergelijk vermogen is begiftigd. De wil van Schopenhauer kan zich echter allerminst verheugen over bet bezit van zulk een vermogen. Zeil materie, kan hij niet het substraat wezen van onstoffelijke vermogens en als onze fdozoof het tegendeel beweert, doet hij dit krachtens zijne eigenaardige hebbelijkheid steeds met zichzelven in tegenspraak te komen. Wij nemen derhalve gaarne aan, dat de mensch, als hij uit dit leven scheidt, niet terugzinkt in het niet, en wij huldigen het bewustzijn, dat hij heeft, niet een

Sluiten