Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terwijl palingenesis juist past in het kader der „Alleinslehre". En daarover gaat de kwestie. Schopenhauer verwerpt de gewone metempsychose niet, omdat zij minder nobel lijkt, omdat zij te alledaagsch is, maar omdat zij strijdt met zijn materialistisch monisme. Nu zou men mogen verwachten, dat onze tilozoof voor eigen theorie ook eigen argumenten aanhaalde, welke zijn systeem bewijzen. Doch hierin wijkt hij af van den algemeenen regel. Hij tooit zijne leer met vreemd ornaat, dat haar, wijl het haar niet past, transformeert, misvormt en mismaakt. Schopenhauer tracht de palingenesis te verklaren en te bewijzen met redenen, welke dienst moeten doen om de metempsychose aannemelijk te maken en toont zoodoende reeds aanstonds de zwakke zijde van zijn systeem.

't Kan niet ontkend worden, zegt hij, dat „eine Verbindung vorhanden (ist) zwischen der Geburt der neu auftretenden Wesen und dem Tode der Abgelebten." De buitengewone vruchtbaarheid van het menschdom, vooral na sommige tijdperken van zware oorlogen of uitermate hevige besmettelijke ziekten, vindt anders geen verklaring. Ook werd steeds door alle lijden en eeuwen heen aan zielsverhuizing geloofd; elke godsdienst met uitzondering van den Joodschen en de beide uit dezen voortgekomen leeringen: Mahomedanisme en Christendom neemt haar aan. En eindelijk „Jedem, der zum eisten Mal davon hört", staat de waarheid der metempsychose terstond klaar en duidelijk voor den geest.1)

Men ziet het, Schopenhauer verdedigt de zielsverhuizing, maar neemt de palingenesis aan van den wil. Zijn leer vonnist, veroordeelt zich zelf. Nam Plato met de oude Indische wijsbegeerte — Schopenhauers school — de zielsverhuizing aan, dan was dit veeleer, omdat zij de spiritualiteit der ziel en daarmede de onsterflijkheid te hoog aansloegen. Schopenhauei' daarentegen stelt de ruwste stof, de grofste materie in de plaats der ziel, geeft er den naam „wil" aan, begiftigt haar met zelfontwikkeling en laat haar steeds weer opnieuw geboren worden d. w. z. nieuwe „Intellekten" aannemen. Spiritualisme en materialisme worden aldus met dezelfde argumenten bewezen en gesteund. Grooter tegenspraak is moeilijk denkbaar, maar daarover bekommert Schopenhauer zich niet. Hij is er

i) Vgl. Werke bd. 3 bldz. 577.

Sluiten