Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn monistische wilsopvatting aangepast. Ken waarlijk eigen stelsel zoekt men te vergeefs, want Schopenliauer nam over, wat hij bij anderen van zijn gading vond en reeg dit in bonte schakeering aaneen tot een langen keten. Bij bel beoordeelen zijner wijsbegeerte is dit wel in 't oog te houden. Immeis naarmate bij nader komt bij een der stelsels, welke hij of geheel of ten minste gedeeltelijk overneemt, is ook zijn betoog daarmee in nauwer verband. De gewichtige kwestie nu, welke ons thans bezighoudt, lost Schopenliauer geheel op in Bouddhislischen zin, wijl het Nirwana van Bouddha hem zeer aantrekkelijk voorkomt. Zijn leermeester heeft echter nooit te kennen -e-even, welke zijn opinie was omtrent een ander leven; werd hij direct ondervraagd, dan gaf hij steeds het ontwijkend antwoord, dat het ter verlichting of heiligheid niet noodig was dit te weten En daarvandaan, dat ook Schopenhauers antwoord niet anders dan zeer twijfelachtig en dubbelzinnig

kan wezen. ... m-

De onbewuste „Urzustand" van Schopenliauer is bet „Nirwana," de eindelooze rust, welke vreugde noch smart kunnen verstoren, 't ls feitelijk het niets, waarin Schopenliauer subject en object laat samenvallen, waarin het kennend wezen en het gekende voorwerp niet meef van elkander kunnen worden ondeischeiden; 't is de godheid, die de Brahmaan aanbidt en van welke Schopenliauer met Giordano Bruno zegt: la divina mente e la unita assoluta, senza specie alcuna, è ella medesima Itf che intende e lo ch'è inteso."x) 't ls het fantastische „Eins, dat ze-rf ,Ich allein bin Alles in Allein: an meiner Erhaltung ïst alles gelegen, das Uebrige mag zu Grimde gehen, es ist eigeut-

lich nichts" Niets zijn wij 11a onzen dood en toch alles,

droomt Schopenliauer met Brahmaan en Bouddhist, „Du als individuum endest mit deinem Tode", maar het mdividuum is „nicht dein wahres und letztes Wesen," doch slechts een uiting daarvan. „Dein Wesen an sich kennt . . ... noch Ende, noch die Schranke einer gegebenen lndividualitat, het is „111 Jedem und Allem da," wij zijn nlles en niets. )

De mensch keert bij zijn dood terug in «len schoot „des bewustlosen Willens," waaruit hij bij zijn geboorte was voort-

<) Het verstand Gods en de absolute Eenheid zonder eenige onderverdeeling is zelf datgene wat begrijpt en datgene wat begrepen wordt.

l) Vgl. Schopenhauers Werke. bd. 6 bldz. 29t, 295 en vlg.

Sluiten