Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is, dat hij niet kan bereiken; de natuur van den wil is volgens hem een Tantaluskwelling. Maar is dit geen tegenspraak? Kan het gezond verstand ooit inderdaad tot de overtuiging komen, dat zijn natuurlijke aandrift volgen zich zeiven afbeulen is? "Wij gelooven het niet, maar houden het er voor, dat alleen in de verbeelding van Schopenhauer een monsterachtige natuur met zóó tegenstrijdige hoedanigheden kan worden gewrocht. Een Tantaluskwelling is niet natuurlijk. Schopenhauer, die het tegendeel beweert, schildert onbewust zijn goddelijken Weltwille zeer juist, als hij zegt: „Von vorne herein und unbefangenerweise diese Welt für einen Gott anzusehn, wird keinem einfallen. Es müsste ja olïenbar ein übel berathener Gott seyn, der sich keinen bessern Spaass zu machen verstande als sich in eine Welt, wie die vorliegende, zu verwandein, in so eine hungrige Welt, um daselbst in Gestalt zahlloser Millioncn lebender, aber geangstigter und gequalter Wesen, die sammtlich nur dadurch eine Weile bestehn, dass eines das andere auffrisst, Jammer, Noth und Tod ohne Maass und Ziel zu erdulden z. B. in Gestalt von 6 Millionen Negersklaven taglich, im Durchschnitt, 60 Millionen Peitschenhiebe auf blossen Leibe zu empfangen und in Gestalt von 3 Millionen Europaischer Weber unter Hunger und Kummer in dumpfigen Kammern oder trostlosen Fabriksalen schwach zu vegetiren u. dgl. m. Das ware mir eine Kurzweil für einen Gott, der als solcher es doch ganz anders gewohnt seyn müsste." x) Schopenhauer maakt zich vroolijk over den god der pantheïsten, maar werkelijk zoo wij een keuze moesten doen tusschen dezen en den „Weltwille," we zouden perplex staan, niet wetende aan welk van beide gedrochten de voorkeur te geven; beider goddelijke positie is even treurig, 't Lijkt wel, dat onze filozoof dit voor een oogenblik heeft ingezien, want hij keert plotseling de rollen om: de smart, het lijden bestaat niet meer in het streven van den wil, maar in de belemmering daarvan „in der Hemmung, Hinderung, Durchkreuzung desselben" m. a. w. de wil lijdt, als hij verhinderd wordt aan zich zeiven te „zehren." — 't Is de maker van den „Weltwille" die het zegt. Hij kent zijn creatuur, dat wij voor ons zouden willen omschrijven: samenstelling van alle denkbare ongerijmdheden. In waarheid, wie Schopenhauers theorie ontdoet van alle onnoodige versierselen,

') Ygl, "Werke bd. 6 bldz. 10B.

Sluiten