Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezen van werkelijk of ten minste vermeend lijden, maar beide eenvoudig weg synoniem verklaren is o. i. te ver gaan. Schopenhauer ziet te veel over het hoofd, hetgeen wij het essentieele in het lijden zouden willen noemen, n.1., dat ons iets overkom., dal niet alleen niet gewild is, maar dat daarenboven nog lijnrecht in strijd is met onze natuurlijke neigingen, met onzen wil. Dit kan niet gezegd worden van een gewone moeilijkheid, die wij ondervinden, wijl deze niet steeds het karakter heeft van een fout, een gebrek, gemis of berooving. Het dagelijksch leven kan ons ook op dit punt leeren, ja, wij gelooven, dat, zoo Schopenhauer allen tegenstand, tijdens zijn bestaan ondervonden, inderdaad als smart had aangezien, hij tot wanhoop ware overgeslagen en misschien wel den zelfmoord, waartoe hij komt in theorie, ook in practijk had toegepast. Gelukkig was ook voor hem de natuur dikwijls sterker dan de leer en was deze lang niet altijd in overeenstemming met zijn daden Doch we keeren terug tot ons onderwerp, we hebben slechts met nadruk willen aantoonen, dat werkelijk lijden slechts daar te vinden is, waar een berooving van een of andere volmaakthei wordt waargenomen. Nu zijn wij echter de opinie toege aan en we meenen hierin wel het gezond verstand aan onze zijde te hebben, dat gebrek aan iets hebben, van iets verstoken worden, dat ons toekomt, allerminst een positief karaktei kan dragen. Het tegendeel beweren is een door niets te rechtvaardigen willekeur, een „Unverschamtheit" a la Schopenhauer.

Doch hoe komt het dan, dat wij smart dieper voelen dan genot, dat leed ons steeds kwelt, terwijl wij niet altijd ot ten minste niet in zoo hooge mate het aangename ondervinden .

Nemen we voor 'n oogenblik aan, wat Schopenhauer hier zegt, dan dunkt ons, dat de reden hiervan ligt in het feit, da alle lijden strijdt met onze natuur, 't is als het ware een voortdurend werken op vernietiging van ons wezen> a steeds op zelfbehoud en vervolmaking bedacht is. Daarvandaan, dat bij ieder smartgevoel een tweevoudige strooming m ons ontstaat, waarvan elk de bovenhand tracht te verkrijgen, ie aldus echter is het gesteld, als wij het goede betrachten, het aangename, dat in ons aanwezig is. Dan is er geen sprake van een botsing tusschen twee tegenstrijdige neigingen, maar alles ciaat geleidelijk voort in dezelfde richting, we komen van lieverlede ons doel naderbij en bespeuren ternauwernood den

Sluiten