Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooruitgang, die in en om ons plaats heeft. Het rustige bezit van het goede, dat ons niet wordt betwist, het gelijkmatig opklimmen tot hooger doeleinden, dat niet door een ingrijpen van buiten of noemenswaardige plotselinge verandering wordt gewijzigd, vormt zeer zeker een groot deel van 'smenschen geluk. Wellicht zal hij dit genot niet steeds evenzeer smaken, zich er niet altijd even klaar en helder van bewust wezen, dat alles ontneemt niets aan het positieve karakter van het geluk, want het meer of minder op den voorgrond treden is niet in staat het wezen der zaak te veranderen.

Doch wij gelooven, dat alle discussie over dit punt vrijwel overbodig is. Schopenhauer bezigt als bewijs voor zijn stelling datgene, wat zijn thesis eigenlijk omverstoot. Hij zegt, dat smart door ons levendiger wordt gevoeld dan genot; hij neemt dus het werkelijk bestaan en daarmee het positieve karakter van genoegen en geluk wel degelijk aan. En als hij op zijn meening terugkomt en zijn sententie verbetert met te verklaren, dat leed altijd wordt waargenomen maar niet aldus het aangename, dan redeneert hij niet, maar neemt als feit aan, wat hij zelf wenscht, dat een feit zij. Schopenhauer is subjectivist niet alleen voor zich zei ven, maar ook voor anderen; daarom verkondigt hij de sententie: dat wij minder ontvankelijk worden voor aangename aandoeningen, naarmate wij meer genieten, terwijl wij gevoeliger worden voor het lijden, naar gelang de smart toeneemt. In het eerste geval geldt als regel: waaraan men gewoon is, baart geen genoegen meer, maar voor het tweede wordt steeds het tegendeel bewaarheid. *)

Is het dan niet waar, dat geluk eigenlijk niets anders is dan bevrijding van smart, vervulling van een wensch; dat het slechts daar wordt aangetroffen, waar in een behoefte wordt voorzien, een ziekte genezen, een vreeze weggenomen?

Aan vindingrijkheid ontbreekt het onzen filozoof allerminst. Zijn verbeelding is levendig genoeg en speelt hem daarom dikwijls leelijke parten. Al zouden we aannemen, dat geluk steeds op lijden volgt, omdat het een bevrijding is van smart, dan nog gaat de conclusie, die Schopenhauer wil trekken, niet op, maar wel kunnen wij tot het tegendeel besluiten. Immers wij worden van smart bevrijd, als in ons wordt aangevuld, wat

') Vgl. Werke bd. 3 bldz. 660.

Sluiten