Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ieder sterveling op het einde zijns levens de balans opmaakt, geluk en genot, tijdens zijn aardsche loopbaan ondervonden, met lijden en smart, dat hem trof, op de weegschaal legt, zal dan dit laatste voor iedereen zooveel zwaarder wegen, dat hij met Schopenhauer instemt, als liij zegt: „wird nie ein Mensch, am Ende seines Leben, wenn er besonnen und zugleich aufrichtig ist, wünschen, es nochmals durchzumachen, sondern eher als das, viel lieber ganzliches Nichtseyn erwahlen"? ') Wij gelooven het niet. Het leven biedt zijn leed, maar ook zijn lief, zijn vreugde, zijn genot.

Schopenhauer voert ons rond „durch die Krankenhospitiiler, Lazarette und chirurgische Marterkammern, durch die Gefangnisse;" hij laat ons de verschrikkingen zien der „Folterkammern und Sklavenstiille," toont ons de ijselijke akeligheden, de gruwelen der „Schlachtfelder und Gerichtstatte," de miseries van „die finstern Behausungen des Elends" enz. enz., hij tracht met al de kracht zijner filozofische welsprekendheid ons van het goed recht zijner opinie te overtuigen, het baat hem niet. Wij bekeeren ons niet tot liet pessimisme. De wereld, die hij ons laat zien, is veel te klein in vergelijking met die, welke hij voor onze oogen verborgen houdt, en deze reeds toont, dat leven en lijden slechts synoniem zijn in de verbeelding van Schopenhauer. Wij zullen huiveren, terugschrikken wellicht en het hoofd afwenden van het vreeselijke lijden, dat ons wordt tegengevoerd, wij weten, dat ook daar op al die plaatsen van weeën en smarten nog zoo menige lichtstraal doordringt, die hoop, vreugde en leven schenkt. Neen, lijden is geen wezenlijk bestanddeel van 's menschen kortstondig zijn. Schopenhauer make zich geen illusie; zelf gelooft hij niet aan de waarheid van zijn bewering. Ook hij kende blijde dagen, ook hij wist, wat genieten heteekent. Niet altijd ledigde hij den lijdensbeker, maar meer dan eens in zijn leven dronk hij met volle teugen den kelk der wellust; genoegens van allerlei aard heeft hij gesmaakt en in ruime mate. Vergalde hij zich het leven, dan was dit voor een groot deel eigen schuld. Niemand wordt als pessimist geboren, evenmin als iemand als optimist ter wereld komt. De mensch is wat hij zich zelf maakt. En hij zal optimist of pessimist wezen, naar gelang hij meer ot

») Vgl. Werke bd. 2 bldz. 382.

Sluiten