Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en zijner „Beatrix", ons een hemel weet te schilderen, even grootsch en heerlijk als zijn hel onder leiding van Virgilius afgrijselijk uitviel en wellicht had hij dan Dante's hemel even „richtig" genoemd als zijn hel. Misschien ook was hij, opgetogen over de heerlijkheden van het paradijs, er nog toe gekomen aan zijn pessimistisch „traumerisches Taumelen" vaarwel te zeggen en een „Jenseits" aan te nemen, dat hij thans versmaadt. Misschien was in zijn verbitterd gemoed, in zijn moede ziel nog een straal van hoop op een beter hiernamaals, een sprank van liefde, van verlangen naar het hemelsch Jerusalem opgeflikkerd, die zijn „leeres Sehnen," zijn „gequaltes Herz" met

troostvolle, blijde verwachting kon vervullen. Misschien

maar neen, Schopenhauer spot met alles, wat aan een christelijk gemoed dierbaar is. Hij schaart zich vrijwillig aan de zijde dergenen, „qui spem non habent," die alles verwerpen, wat alleen in staat is vertrouwen in te boezemen, de hoop levendig te houden. Bij dezen wil hij opbeuring, troost en heul zoeken,

maar vindt hij niets van dat alles, want ook daar is

lijden; en tegen lijden, hoe gering ook, weegt geen vreugde op „da dasselbe nie durch das danehen oder danach vorhandene Gut getilgt, mithin auch nicht ausgeglichen werden kann:"

Mille piacer' non vagliono un tormento. *)

Zoo wordt zijne ziel voortdurend gefolterd, gekweld in doodsangsten, terwijl aan zijn beklemde borst slechts de kreet der vertwijfeling ontsnapt: „Leben ist, Leiden."

Tot nu toe hebben wij het pessimisme van Schopenhauer beschouwd alleen in zooverre het een noodzakelijk gevolg mag heeten uit den aard, de natuur van dat hypothetisch, geheimzinnige wezen, waarvan de vinder zelf ons niet de minste verklaring, den geringsten grond van bestaan weet te geven

') Petrarca. — Vgl. bd. 3 bldz. 661. Dat een oogenblikkelijk genoegen een voorbijgegane smart niet ongedaan kan maken d. w. z. niet kan maken, dat het lijden niet bestaan heeft, znllen wij niet betwisten; maar dat beide niet tegen elkaar kunnen opwegen, moet Schopenhauer eerst bewijzen. — beweert hier nog, dat bijaldien een god a la Spinoza moet worden aangenomen, alle lijden uit deze wereld moet worden gebannen en dit is volkomen juist, maar hij moet hetzelfde zeggen van zijn „Weltwille," want tnsschen Schopenhauers monstrum horrendum en den god van Spinoza is geen onderscheid.

Sluiten