Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hooger wezen is uitgevaardigd en verplichtingen jegens hem oplegt. — De ondergrond van Schopenhauers leer over de zónde evenals van zijn assertie, dat wij niets kunnen verdienen voor ons heil, wijl wij steeds handelen met bepaalde beweeggronden, is Kant's autonomie der zedenwet. Deze ongerijmdheid veronderstelt Schopenhauer en stapelt er dan tal van andere dwaasheden bovenop, die allerminst geschikt zijn iets bij te dragen tot verheffing en verheerlijking van den grooten „Weltwille." Onze wijsgeer kan zijn theorie over de zonde niet handhaven, hij kan het lijden dezer wereld niet op rekening schrijven van den mensch, die tegenover niemand verplichtingen heeft, tegenover niemand schuldig is. De zondeval is in het systeem van dezen tilozoof een ondenkbaar iets, een contrav dictie, klinkklare onzin, hij heeft met het systeem, het pessimistisch monisme van Schopenhauer niet alleen niets te maken, maar wordt er zijns ondanks in binnengesmokkeld en dat nog wel op eene wijze, die duidelijk toont, dat het den auteur allerminst ernst is met zijn beweringen. Wij zeiden het reeds herhaaldelijk: Schopenhauer schrijft alles neer, wat hem voor den geest komt en maakt er gebruik van te pas of te onpas. En dit is zijn zaak. Maar ergerlijk is het en het teekent zijn laag, gemeen karakter zoo juist en zoo volkomen, dat hij zonder ook maar een enkel woord van weerlegging te bezigen, steeds den spot drijft met iedere meening, die niet de zijne is of ten minste, die hij met zijne oogenblikkelijke zienswijze in strijd waant. Schopenhauer treedt niet het worstelperk binnen om een eerlijken strijd te voeren, maar om zijn tegenstander op de grofste, de onhebbelijkste wijze te beleedigen. Inderdaad op dit punt is het moeilijk hem te evenaren of op zijde te streven, hij is werkelijk meester in de kunst zijn mededinger met scheldwoorden te overladen. Schopenhauer noemt dit: eigen opinie verdedigen, 't is een van de vele kunstgrepen, waarvan hij zijn leerlingen aanraadt, zooveel mogelijk gebruik te maken „um Recht zu behalten."

Nog een opmerking dienen we hier te maken. Bij al den venijnigen, vinnigen haat, dien Schopenhauer steeds toont jegens het Christendom, bij zijn helschen grijnslach over alle theïsme, over alles, wat ook slechts in de verte wijst op een persoonlijken God, bij zijn uiterste consequenties in het monisme, behoudt hij steeds een dualistische tendentie. Schopenhauer is

Sluiten