Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te benevelen, hem zoodanig te verblinden, dat hij. een waanzinnige gelijk, de verantwoordelijkheid zijner daad niet meer op zich kon nemen'? Uiterlijk mogen somtijds zelfmoordenaars kalm lijken tot het einde, wij voor ons kunnen moeilijk gelooven aan bedaard overleg. Wij laten hier buiten rekening het groote aantal — volgens Morselli een derde gedeelte — zelfmoordenaars, die habitueel in hun verstandelijke vermogens zijn gekrenkt, en bedoelen slechts diegenen, die om een of andere reden tot het uiterste gedreven in een vlaag van oogenblikkelijke verstandsverbijstering de hand aan zich zelve slaan. Deze tijdelijke bedwelming, gedeeltelijken waanzin, meenen wij — Schopenhauer houde het ons ten goede — in de meeste gevallen gerust te mogen veronderstellen. Het instinct, de natuurlijke neiging naar zelfbehoud, in alle dierlijk leven en in den mensch zeker niet het minst aanwezig, dunkt ons, pleit genoeg voor deze meening. Doch al is wellicht in de meeste gevallen de zelfmoord in de oogen van God, den oppersten Rechter, minder schuldig, dan wij kunnen bevroeden en beoordeelen, hij is en blijft steeds een onrecht, den Schepper en Maker aller wezens aangedaan.

* *

¥

Onze Frankforter filozoof, die het, gelijk we reeds herhaaldelijk zagen, als hem maar eenigszins de gelegenheid geboden wordt, steeds tegen den God van Joden- en Christendom opneemt, kan ook hier weer niet nalaten zijn gemoed te luchten. Beweert de monotheïst, zoo verklaart hij, zelfmoord is een onrechtvaardigheid jegens God, dan leert hij een ongerijmdheid, wijl wij op niets ter wereld meer recht hebben dan op ons eigen leven, op onze eigen persoonlijkheid.

Wij zouden onzen wijsgeer in overweging durven geven de vulgaire spreuk: wie zelf in een glazen huis woont, werpe anderen niet met steenen.

Volgens de leer van onzen pessimist — en hetzelfde is met enkele geringe wijzigingen te zeggen van ieder monistisch systeem — is de mensch niets anders dan een objectivatie, een manifestatie van den eenen, alvermogenden „Weltwille," hij is een accidens, dat den wil als vorm aankleeft, een beeld, dat hij projecteert in de ruimte en den tijd, meer niet. — Wij willen dit droombeeld, deze beschrijving van den mensch,

Sluiten