Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INHOUD.

TER INLEIDING V.

IDEALISME EN MATERIALISME. . . . 1—51.

Oordeel over Schopenhauer (4—2). Invloed van Kant, Fichte, Schelling' en Hegel op Schopenhauers wijsbegeerte en liaar verspreiding; hun verhouding tot de scholastiek (2—5). Schopenhauers leer over het subjectieve der waarneming (5). Voorloopers van Schopenhauer in vroegeren en tateren tijd (C). Schopenhauers opvatting van het idealisme (6— 7). Nadere uiteenzetting van zijn transcendenteel idealisme (7—8). Zijn verval tot agnosticisme (8—9). Zijn onbewijsbaarverklaring van de wet der causaliteit (9). Zijn veroordeeling van Locke en fiume en verdediging der theorie van Kant (9). De waarde der kenvormen tijd en ruimte (9—10). Beperking onzer kennis tot het bewustzijn (40). Schopenhauers verklaring van de wet der causaliteit (40—-14). Oordeel hierover van P. Pesch (41). Schopenhauers bewijs voor het subjectieve onzer kennis uit het subjectieve der zinnelijke gewaarwording (12). Weerlegging van dit bewijs (13). Schopenhauers redeneering ad absurdum tegen het realisme (43—45). Valsche grondslag dezer redeneering (f4—45). Schopenhauers verklaring omtrent onze misleiding door de kenvormen (44—45). De identiteit van subject en object; verval tot pantheisme (45—46). Het object afhankelijk van het subject; de transcendenteele kenvorm subject en object (46). Ondergeschiktheid der andere kenvormen aan dien van subject en object (46—47). Schopenhauer navolger van Hegel (47). Schopenhauers veroordeeling van het dogmatisme (48). Ongegrondheid dier veroordeeling; de evidentie van de wet der causaliteit; de wet der causaliteit een analytisch beginsel (48—49). De vraag naar het verband van onze kennis met de buitenwereld; het antwoord der idealisten (49). Het antwoord van het spiritualisme van Descartes (49— 20). Vergelijking van het spiritualisme van Descartes met het idealisme van Schopenhauer en de andere Duitsche transcendentalisten (20—24). Nadere toelichting van het antwoord van Schopenhauer (24—22). Schopenhauers kritiek op Fichte, Schelling en Hegel; hun niettemin onmiskenbare invloed op zijn wijsbegeerte (22—23). Schopenhauers oordeel over het materialisme; invloed van Hegel (23—24). De verhouding van subject en object; de evolutie van het object een wijziging in de kennis van het subject; het subject de evolutie van het object; cosmisch monisme (24—25). Schopenhauers onderscheid tusschen de wereld als „Vorstellung" en het „Innerste Wesen" der wereld (26). De fout zijner redeneering; objectiviteit onzer kennis volgens de scholastieke wijsbegeerte en Aristoteles (26—27). De identiteit van subject en object volgens de transcendentalisten en volgens Aristoteles en S. Thomas (27-28). Object en subject materie en verstand, volgens Schopenhauer, beide slechts iets secundairs, „Erschei-

Sluiten