Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nung des Willens oder des Dinges an sich" (28—'29). De materie in de theorieën van Sohopenhauer en Kant (29—30). De identiteit \an subject en object in den wil (30—31). Schopenliauers vereeniging van liet idealisme van Hegel en het sensisme van Locke (34—33). Veroordeeling der abstracte algemeene begrippen (33—34). Locke s terugkeer tot de ervaring; Kant en Schopenhauer als volgelingen van Locke (34—35). De „Anschauung" grondslag van alle kennis (35). Onmededeelbaarheid dier kennis (35—36). De waarde der begrippen (3(5). Schopenhauer en Plato (36). Verhouding tusschen verstand en zintuig; geen specifiek, slechts gradueel verschil tusschen zinnelijk en verstandelijk kenvermogen (37—38). Nadeelen van de verstandelijke kennis (39—40). Schopenhauers naijverige kritiek op Hegel (40—41). Schopenhauers erkenning van 's menschen drang naar metafysica (41). Metafysica des geloofs, godsdienst, en metafysica des verstands, wijsbegeerte (42). Wezen der wijsbegeerte; het apriorisme der metafysica (43—44). Onoplosbaarheid van het wereldraadsel (44—45). Object der wijsbegeerte alleen het materiëele (46). De ziel geen object der wijsbegeerte; sensisme (47). Schopenhauers theorie over de verwarring van verstand en wil; de wil het primaire, het verstand het secundaire ; afhankelijkheid des verstands van de materie (47—48). Schopenhauers dwaling in dit opzicht (48—49). Schopenhauers verdediging van h°t primaat van den wil (49—50). Onwaarde dezer verdediging (50—51).

VOLUNTARISME 52-95.

Verbreiding van het voluntarisme (52). Het onderzoek naar het wezen der wereld de taak der wijsbegeerte (52—53). De verschillende wezens der wereld uitingen van het eenig wezenlijke, den wil (53) De wil voorwerp van ieders onmiddelijk bewustzijn (53—55). Verband tusschen de onderscheiden levensuitingen en de uitingen van den wil (oo). Onze kennis van den wil door het bewustzijn onzer handelingen (ob). De petitio principii in Schopenhauers redeneering (56). Werking van den wil in onze willekeurige en niet-willekeurige handelingen (5b— 57). Ontoereikendheid van Schopenhauers bewijs uit het bewustzijn (57_58). Schopenhauers en Hegels willekeur in de benaming van hun monistisch beginsel (58). Onvereenigbaarheid van de heerschende opvattin})- over de ziel met de monistische wereldbeschouwing; identiteit van ons lichaam met den „Weltwille" (59—60). Schopenhauer en Hegel (60). Dualistische tint van Schopenhauers monisme (bl). De geheele zichtbare wereld teruggebracht tot Schopenhauers monistisch beginsel, den wil (62—(53). Het anthropomorfisme in de wijsbegeerte; Schopenhauers overdrijving hierin (63—65). Het wezen van Schopenhauers „Wille"; zijn goddelijke eigenschappen; zijn eenheid en onvergankelijkheid bij alle wisseling van vormen (65—66). De wil in zijn verschillende ,,Abstufungen" (66—67). Schopenhauer en Plato (67). Eerste „Abstufung" van den wil in de algemeene natuurkrachten ; afwezigheid van individuatieheginsel (67—68). Het verschil van het begrip „handeling" bij Schopenhauer en Aristoteles (68). Onjuistheid van Schopenhauers redeneering (68—69). Wezenlijk onderscheid tusschen de levenlooze natuur en de planten bij Schopenhauer (69—70). Tweede „Abstufung" van den wil in het plantenleven (70—71). Aristoteles' „forma substantialis" en Schopenhauers „Grad der Objektivation" (71—73). Oordeel van Pesch over den wil als wezens- en

Sluiten