Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van zijn pessimisme (143-145). Woorden van Pe^h (l^). Ge uk volgens Schopenhauer bevrijding van smart, lyden P0S1*J«> «e!"k negatief; oordeel van Frauenstadt, Meyer en von Hartmann (145-147). Ongegrondheid dezer stelling; woorden van VOI'^tniann(|. ).

Schopenhauers verkeerd begrip van liet lijden M- J^ „

onze beter "-ewaarwording van smart dan van geluk (1-* J • )• positieve van het geluk; verschil tusschen streven en lijden; woorden vin Paulsen (150—151). Schopenhauers subjectieve verklaring van lï ontstaan !fer kennis van Lt geluk

voorstelling van het leven als een aaneenschakeling van lijden

ƒ153 155) Ziin oordeel over den dood (155—150). Bewijzen voor

zijn stelling uTonze levenservaring (150). Het subjectieve karakter van Schopenhauers pessimisme (157). Het pessimisme in strijd met het menschel ijk gemoed. De werkelijkheid van de smart, maar ook van het geluk; ongegrondheid van het /159j'

Schopenhauer over het optimisme, met name van j j 'j-

Schopenhauers beroep op de dichters, m het Inizonder op Leopardi (lbO) Willekeur van Schopenhauers pessimisme (100—102). Ongegrondhei zijner stellingen; Schopenhauers beroep op Dante en Petrarca, zijn oordeel over Spinoza een veroordeeling van ™hïe yen Schopenhauer over de zonde als oorzaak van het Inden (104). Schopenhauer en Luther (104). Het Christendom van Schopenhauer ; onvereenigbaarheid van het geloof in den „Weltwille" met het Ghnje^k geloof (105—10(5). Schopenhauer over den zelfmoord als laatste uitkomst in bet lijden (100-107). Het begrip van zonde bij Schopenhauer (107—108). Christelijke elementen in Schopenhauers wijsbegeerte ; de verloochening van zijn theorie in zijn stervensuur (108 1 J).

ZELFMOORD , 170—185*

De zelfmoord een logische gevolgtrekking uit Schopenhauers pessimisme (170). De zelfmoord, volgens Schopenhauer, geen m'^aa<l (170—171). Schopenhauers godslastering om het feit van den zelfmoord (171). Het gebod der liefde in het Oude en Nieuwe Verbond (172) Lafheid van den zelfmoord (173—174). Paulsen s onderscheid

tusschen zelfmoord en vrijwillig^ dood (174) Het hopeloo^ van het

nessimisme (174—175). Woorden van Horatius (17o). verantwoordelijkheid in den zelfmoord; zelfmoord en waanzin (175-170). Het begrip van zelfmoord in de monistische werelheschouwing, tegenstrijdigheid in-Ie begrippen (170-178). De onrechtmat,ghe,d van d^ zelfmoord (178—17'J). God de heer van het leven (179). Zelfmoord, volgens Schopenhauer, tegelijk „Bejahung en „Verneinung van ( en Wilfb zum Leben" (179—180). Korte samenvatting van Schopenhauers leer eer den zelfmoord door Paulsen (180) Paulsen's en von Hartmann's veroordeeling van Schopenhauers leer over den zelfmoord (181—182). De zelfmoord, volgens Schopenhauer, niet het aangewezen middel tot Verneinung" van den wil (182). Schopenhauers prediking van volkomen onthechting en geduld, kuischheid en vrijwillige armoede (182—183). Onredelijkheid en doelloosheid van Schopenhauers ascese (183—184). De mystiek van Schopenhauer en de Christelijke mystiek (184 185). Schopenhauers atheïstisch Christendom (185).

BESLUIT 186,

Sluiten