Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijn zielsrust bovenal zijn me ook iets waard. Wat troost toch schonk me hooger rang en staat Indien daarbij zich hier nu staag een stem Liet hooren, mij verwijtend: voor wat goud Verkocht ge u aan den vijand van uw land,

En daar rust nooit des Heeren zegen op!

Dan liever bedelbrood, indien 'tmoet zijn En trouw daarbij aan 't lieve vaderland.

Anneke.

Uw vaderland? Maar 't is hetzelfde nog,

Als vóórdat Munsters bisschop herwaarts kwam. t Is slechts van heer veranderd, — dat is 't al.

Blijft Nederland niet nóg uw vaderland,

Ofschoon gij u aan 's bisschops dienst verbindt?

Van der Thijnen.

Gij zijt — bemerk ik — van de leer van hen,

Die zeggen: wie het land heeft, heeft ook mij.

Maar ik verafschuw die, hoe fraai gij ze ook

Me voorstelt, 'k Dien geen vreemdling, — en wel 't laatst

Een man, als hij, die wederrechtlijk hier

Zich indrong, met geweld, — een dief gelijk.

Anneke.

Spreek zachter, Meindert, dat u niemand hoor! De muren hebben ooren in deez' tijd.

Maar, wilt ge om eigen voordeel niet uw dienst Aan Munster wijden, doe 't ter wille dan Van haar, die ge als een eigen dochter mint,

En wier geluk ook 't uwe nog verhoogt.

Doe 't dan ... om Fenna's wil...

Van der Thijnen.

Om Fenna?

Anneke.

Ja, om haar.

Sluiten