Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van der Thijnen.

M»«r ik begrijp u niet. Gij spreekt In raadslen. 'k Vat niet, hoe bij déze zaak 't Belang van Fenna kan gemoeid zijn. Kom,

Help me uit den droom, verklaar u nader, vrouw!

Anneke.

Zij spreke zelf voor zich. Ik roep haar hier.

TWEEDE TOONEEL.

De vorigen. Fenna.

Anneke.

Nu opgebiecht maar, kindlief, waarom 't u Zoo welkom zijn zou, dat uw pleegvaar de eer, Hem toegedacht door Munsters kerkprelaat, Goedwillig aannam. Zeg het onbeschroomd!

Fenna.

Moet dan het hooge woord er uit? Welnu,

Zoo weet dan, vaderlief! ik schonk mijn hart

Aan vaandrig Herman, — dien gij zelf ook kent , En 'k weet van hem, de bisschop keurt het goed, Dat hij me als ga ten huwlijksouter voert,

Mits gij, mijn tweede vader, u verbindt Zijn zaak te dienen, in de waardigheid U aangeboön. Zoo niet — zoo ligt voor hem 't Bevel gereed, dat hem naar Munster zendt En — al mijn hoop is dan voor goed vernield! Ik bid u, kom alleen om mijnentwil Terug op uw besluit!

Van der Thijnen.

Wat hoor ik? Gij, Gij aan een vijand van uw land verloofd, —

Die 't zwaard toog tegen wie gij lief hebt? Die Ook medeplichtig is aan al de ellend',

Sluiten