Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij al dien overmoed, dat onrecht, dat geweld,

Waar dag aan dag dat vreemd, Westfaalsch gespuis

Hier schaamteloos zich in te buiten gaat.

't Schreeuwt luide om wraak. Geen morgen breekt er aan,

Of telkens brengt hij ook een nieuw schandaal

Aan 't licht, 't een nóg al snooder van gehalt,

Dan 't air. Spreek wien gij wilt, 't zij jong, 't zij oud,

En zoo de vrees hun niet de lippen snoert,

Zijn 't enkel jammerklachten, die gij hoort.

Vernaamt gij, wat nog gist'ren 't boevenpak

Te Dalen weer heeft uitgericht? Daar moest

Uit moedwil nu de weem (*) 't ontgelden, en

Zag de arme Bolling, tot op 't bloote hemd

Geplunderd en mishandeld zich verjaagd,

De straat op, barrevoets, met vrouw en kroost.

Zeg, is 't niet God' geklaagd? Komt daar u 't bloed

Niet van in gisting? Kan een Christenmensch

Daaronder nog langzinnig zijn? — Ik niet! —

Was de oude vader Picardt nog in leven!

Zijn vrucht'bre pen schreef licht daarvan alleen

Een boek, nog ruim zoo dik, als dat waarmee

Hij reeds zijn naam voor altijd heeft vereeuwigd.

Van der Thijnen.

Ik zeg dat met u, buurman. Ja, het is

Een booze, booze tijd, dien wij beleven,

Sinds Munster herwaarts kwam. — Dat gruwzaam heer

Van Hunnen en Giganten, door de hand

Van Picardt zoo afgrijselijk geteekend,

't Schijnt uit de dooden opgestaan en, weer

Met vleesch en bloed belichaamd, in deez' vest

Zijn satanswerk op nieuw te drijven thans.

Zijn dat soldaten van een Christenvorst?

Een vorst, die bisschop heet te zijn in Christi Kerk?

Zoo vraag 'k mij zelf, als 'k van hun moedwil hoor.

*) Pastorie.

Sluiten