Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als waarop Bierling doelde? Denk er tuin,

Het kostte u licht uw vrijheid, zoo niets meer, En — wat moest ik dan met mijn hulp'loos kroost?

(Zij weent.)

Van der Thijnen.

Kom, wees nu wijzer, vrouw, — sla geen geloof Aan zulk gerevel! Zou ik 't durven, ik,

Man zonder macht of invloed? zelfs al kwam Somwijlen 't denkbeeld daaraan in mij op?

't Moest hier mij scheem'ren, als ik 't onderstond ... Doch, zwijgen we daarvan. Ik moet naar school; Het jonge volkje wacht mij zeker reeds.

(Op 't oogenblik dat Van der Thijnen zijn woning wil verlaten, treden binnen:

VIJFDE TOONEEL.

Mattheus L'E mpereur en Berend

E d e 1 i n c k.

De vorigen.

L'E mpereur.

Goê morgen, vrienden! — Wel gerust te saam?

Dat is een zegen in deez' droeven tijd,

Die dubb'len dank verdient.

Anneke.

Dat zegt ge wel, Heer L'Empereur! Het staat er donker voor.

Wie rust geniet, mag spreken van geluk. Dat Moffen-heerschap brengt ons wat te doen! Zeg raakt de stad die gasten haast weer kwijt?

Sluiten