Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

L'E mpereur.

Dat 's meer gevraagd, vrouw Van der Thijnen, dan Waarop ik thans een antwoord voor u heb,

Hoewel ik 't even vurig wensch als gij.

Doch, laat me zeggen, wat ons herwaarts bracht.

De tijd is kostbaar; straks wacht m' ons op 't raadhuis.

(Tot E d e 1 i n c k gewend.)

Of wil vriend Edelinck misschien het woord?

E d e 1 i n c k.

Ei, waartoe dat? 't Is u wél toevertrouwd.

L'E mpereur.

Zoo weet dan: gist'ren waren we op Ter Scheer.

't Is u bekend, waar tachtig jaar geleên

Prins Maurits, onze schermheer, zijn verblijf hield,

Koos onze kwelgeest nu zijn hoofdkwartier, —

Van Galen', meen 'k. — Gezonden door de vroedschap,

Luidde onze lastbrief, hem beklag te doen,

Dat zijn soldaten, 't wederzijdsch verdrag

Bij de overgaaf ten spijt, zich hier gedragen

Als woeste Turken, zonder schaamte of tucht.

'k Gaf feiten op en noemde man en paard,

En voegde, om kort te gaan, er dit nog bij,

Dat, bleef het zóó, er gansch geen twijfel was,

Of ook de burgerij, gehitst tot wraak,

Kwam in verzet, 't Zat niet in 't Koevordsch bloed,

Zoo zei ik, zich op 't hart te laten treén.

Van der Thijnen.

Cordaat gesproken, ongezouten; maar Volkomen waarheid. — En, wat hij toen weer?

L'E mpereur.

Een rauwe schaterlach, — dat was vooreerst Zijn antwoord, — honend, tergend, sarrend, 't Was, Of 'k Satan lijfelijk daar voor mij zag!

Sluiten