Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En toen, terwijl mij 't bloed naar 't aanzicht steeg, Toen voer hij uit op bulderenden toon:

Wat denkt ge? Dat ik me om een blad papier, „Verdrag" genaamd, bekommer of bekreun? Domkoppen die gij zijt! Aan slag van liên Als gij, aan ketters, ten verderve rijp,

Bindt tittel mij noch jota van mijn woord.

'k Ben zelf mijn wet, en doe wat ik verkies. — En, (ging hij verder), dreigt gij met verzet,

Ik weet, hoe 'k met rebellen hand'len moet!

Wordt een der mijnen slechts een haar gekrenkt, wee uw stad! 'k Heb bommen nog genoeg In voorraad, of — ik laat den rooden haan Op ieder huisdak zijn triomflied kraaien,

En spaar geen zuig'ling zelfs op moeders schoot!

Van der Thijnen.

Die onverlaat!

Anneke.

Dat monster!

E d e 1 i n c k.

1- v Ja» en

Zich schaamt'loos nog een dienaar noemen durft Van Christi Kerk, een herder van diens schapen!

L'E m p e r e u r.

Doch, dit u mee te deelen was 't nog niet,

Wat thans ons beiden naar uw woning dreef,

Zoo vroeg reeds op den dag. We hebben meer,

Niet waar, collega?

(Tot E d e 1 i n c k.)

Kom, verhaal gij verder. Edelinck.

Ook uw naam, meester Meindert, kwam ter spraak,

Sluiten