Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen Munsters vorst ons ten gehoor ontving, En — dat ik u maar niet in spanning houd! — Die naam staat bij hem in geen goeden reuk.

Van der Thijnen.

Hoe dat? 'k Weet niet, waarmee ik Zijn Genade Ooit heb beleedigd....

Edelinck.

'k Laat dat aan zijn plaats; 't Is tot véél sprekens thans geen tijd; maar hand'len Is de eisch van 't oogenblik. U dreigt gevaar.

Van der Thijnen.

Mij méér dan ied'ren burger van deez' stad? Wat heeft hij tegen mij?

Anneke (angstig.)

O zeg, heer Ed'linck, Wat hangt ons boven 't hoofd? Wat is er gaande? Verberg ons niets . ..

Van der Thijnen.

Kom, Anne, wees gerust! Te dreigen en te doen is bij Van Galen Nog niet hetzelfde....

Edelinck.

Toch geloof ik, vriend! Is 't zelfbedrog, dat ge u daarop verlaat.

Reeds hebt gij 's bisschops gramschap fel gewet, Dat gij zijn aanbod afsloegt. Maar daarbij,

Naar de oude spreuk: wie zélf niet deugt, vertrouwt Ook ind'ren niet, wdntrouwt hij u, vreest hij In u den man, die zijn Klein-Candia,

Gelijk hij onze stad in kortswijl noemt,

Hem weer te ontfutselen tracht.

Sluiten