Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van der Thijnen.

'k Verzei u en we spreken onderweg Daar verder over.

(«/•)

ZESDE TOONEEL.

Anneke. Daarna F e n n a.

Anneke.

Och, weer nieuwe zorgen! 't Houdt nimmer op, — en waar is nog het eind? De stad ontvluchten? — Nu, die raad is goed;

Maar op wat wijs? Hoe 't aangelegd? En dan, Waarheen, als alles wel gelukt, terwijl Het land, naar 'k hoore, van spionnen wemelt En 't nergens veilig is? — Wat onrust kwelt me,

Als 'k denk: men kwam ons eens op 't spoor en Meindert Viel in hun handen!

Och, had hij toch maar Bewilligd in het voorstel, hem gedaan!

Thans waren wij dan zonder zorg. — Doch dat Is nu voorbij, — en klagen — baat hier niets.

(To/ Fenna, die binnenkomt:)

Gewichtig nieuws, mijn kind! Het staat er voor, Dat wij van hier gaan. 't Is niet raadzaam meer, Zoo kwam men aanstonds ons vertellen, dat Uw pleegvaar in deez' wallen langer blijf.

De bisschop voert iets tegen hem in 't schild.

Fenna.

Voor mij geen nieuws meer, moelief; want zoo straks Werd me in 't geheim dit schrift ter hand gesteld. Gij raadt het wel van wien het kwam, verzweeg Ik Hermans naam ook.

Sluiten