Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TIENDE TOONEEL.

Van der Thijnen (terwijl hij allerlei voorwerpen bijeen haalt, om ze mede te nemen.)

Nu het dan moét zijn, naar 't schijnt Ga 'k in 't geloof, dat slechts langs dezen weg Het plan uitvoerbaar wordt, mij broeiende in Het brein. Hoe verder 't lot mij van deez' vest Verwijdert, des te nader brengt het mij Ook tot mijn doel. Eerst, als ik ginder ben,

Door niemands achterdochtig oog bespied,

En zelf door vreeze voor verraad niet meer Geslingerd en ontrust, helpt God mij doen,

Wat mij de liefde tot mijn land en volk Als plicht gebiedt.

(Hij heeft uit een kast eenige plattegrondsteekeningen van de fortificatiewerken van Koevorden, benevens andere papieren, te voorschijn gehaald, die hij zorgvuldig inpakt.)

Vooral dit bundelken Blijv' hier niet achter; 't is me, alleen wel, alles,

Wat 'k meer aan aardsche goederen prijs laat, waard.

(Daarna den blik latende weiden door 't vertrek:)

En valt mij 't heengaan uit dit huis ook hard, — Te harder nu 'k 't als vluchteling verlaat, Als vogelvrijverklaarde, die niet weet,

Wat in de naaste toekomst zelfs hem wacht, — Voldoende troost is 't me ook, dat 'k in mijn geest Den dag aanschouw, zoo vurig afgesmeekt, Den schoonen dag, dat Koevorden op nieuw, De Oranjevaan zie op zijn wal geplant,

En lustig wapp'ren van zijn torenspits,

Terwijl 't Wilhelmus door de straten schalt,

Sluiten