Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe ze, ingeperst in bastions en grachten, Met hooge ravelijnen tusschen beiden,

Omgordeld weer door breede contrescherpen, En links en rechts door drassig veen begrensd, De sleutel altijd was van heel het Noorden, — Zoodat, wie haar bezit, ook meester is Van al de drie gewesten te gelijk.

Anneke.

Wel, Meindert, 'k sta verrast 1 Is dat de vrucht Van al uw peinzen, als gij naast mij zaat,

En ik verdrietig 't vaak u dorst verwijten,

Dat u de spraak voor goed benomen scheen? Vergeef me, dat ik zoo u kon miskennen ...

Maar kom, — help nu me ook verder nog te recht.

(Op de teekening wijzende.) Wat doolhof toch van lijnen, cirkels, hoeken,

Zich kruisend en zich kronk'lend door elkaar! Het wordt me er grauw en groen bij voor 't gezicht. Zie, wat beduiden daar die roode letters?

En daar die kruisjes nog?

Van der Thijnen.

Dat zijn, naar 'k meen En in deez' nota ook beredeneer,

De punten, waar, met kans van goed geluk, Een krachtige aanval op gewaagd kan worden.

Anneke.

't Is keurig, moet ik zeggen, allerkeurigst. Wat heeft u dat 'n studie, wat 'n werk gekost! Mij dunkt, zelfs geen professor, hoe geleerd,

Die 't u verbeetren kan, — al is 't verstand Ook klein, dat ik van zulke zaken heb.

Maar, zeg — wat is uw verd're toeleg thans?

Van der Thijnen.

Nog heden meld ik me aan bij d' eedlen held,

Sluiten