Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar kort. Ter zake dus. Reeds d' and'ren dag,

Nadat gij henengingt, kwam van Ter Scheer 't Bevel — schrik niet — om u geboeid ter plaats Te voeren, waar zoo menig burger reeds In hecht'nis zat. Van hoogverraad beticht Werd uw persoon. Wat keken evenwel Die lieve jongens sneu, toen 't kooitje leeg En — 't vogelijn ontsnapt was! Toen ik 't zag,

Wat heb ik mij verkneukeld van pleizier!

Van der Thijnen.

Hoe ging 't toen verder?

Bierling.

Nu, dat vader Berend Daar óp beslag lei op hetgeen hij vond Aan leeftocht, huisraad, kleed'ren en wat meer Uw eigendom nog was, — daar kennen wij Den plunderfielt wel voor; dat 's de oude voois.

Naar 'k hoorde, moet hij razend zijn geweest Van gramschap, toen hij 't nieuws vernam: de zwartrok Ontliep 't gevaar! En meer nog, toen 't gerucht Daarbij kwam, dat een van zijn eigen volk U was behulpzaam in uw vlucht. Men zegt,

Hij loofde honderd gouden rijders uit,

Aan wien dien stouten kwant te ontdekken wist.

F e n n a (ongerust.)

En weet hij 't reeds, wie dat geweest is, Bierling?

Bierling.

'k Geloof van neen. Op zulk een premie is Ook niemand erg belust. Die ze verdiend had Kreeg toch ze niet betaald. Ook daar staat Berend Genoeg te boek voor.

Van der Thijnen.

Doch deel me ook eens meê,

Sluiten