Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe 't overigens wel in de veste toegaat.

Wat voert het krijgsvolk uit? Wordt ter versterking

Steeds veel gearbeid nog aan wal en gracht?

Is nog de dienst voor 't garnizoen zoo streng,

Als ze in den aanvang was?

Bierling.

Dat 's staag aan 't minderen,

Zooveel ik merken kan. Het moet een baas zijn, (Meent Berend je) die hem Klein-Candia Weer uit de hand speelt, en daarom, gunt hij Zijn lui meer vrijheid thans, en rust. Hij laat ze In lanterfanterij hun tijd vermallen,

Bij kaart- en dobbelspel, zooveel 't hun lust,

Terwijl zelfs in het wachthuis vaak de beker Nog lustiger dan in mijn jachtwei rondgaat, En menigmaal ook de officier niet meer Van Teeuwis of van Meeuwis weet, als 's nachts Zijn tijd is tot de ronde langs den wal.

Van der Thijnen.

Een pracht van volk! Dat moet ik zeggen! Met Een heldenschaar van zulk allooi, en zóó In tucht geoefend, is Klein-Candia Gewis onneembaar. Zot, wie dat ontkent!

Bierling.

Daar meent gij niet een zier van, meester Meindert; Gij weet wel beter. — Maar mijn tijd is om.

Vóór mijn terugreis, morgen, kom 'k nog weer.

Gegroet tot zóólang!

(Van der Thijnen en Bierling af.) F e n n a.

O, moederlief! hoe klopt mij 't hart van angst! . .. Wanneer ik maar wist, hoe 't Herman is gegaan .. . Maar die onzekerheid, .... die is verschrikk'lijk!

Sluiten