Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Laat stroopen wijd en zijd, heel Drenthe door.

Haast gaat geen dag voorbij, dien God ons geeft, Dat niet zoo'n wilde horde, razend, tierend,

Ons stille dorp den schrik op 't lijf jaagt, en Den beest er speelt, als duiv'len uit de hel.

't Is of Ducdalf weer opstond uit zijn graf.

Dat rooft en plundert en benadert, wat Maar is te grijpen en te vangen, — 't vee Uit zijn stalling, d' oogst van d' akker, — alles Wat onder hun bereik valt, los en vast,

Niets, niets, of 't is hun gading ...

Tweede Landman.

En was dit

Het maar alléén, dat wereldsch goed, wat ze ons

Ontnamen, heer, — nog draag'lijk was ons leed.

Maar dat zij ons ook tasten in ons bloed,

Ons eigen bloed, — zie heer, dat is een gruwel,

Die tot den Hemel luidkeels schreeuwt om wraak.

Zag ik mijn eigen zoon, mijn roem en trots,

Door die barbaren niet eerst fel mishandeld

Ten doode toe, en toen.... en toen....

't Bloed kookt mij bij 't herdenken nog van woede! —

En toen half levende geroosterd over 't vuur ? ...

Uit louter, louter moedwil! — Is 't niet ijs'lijk? ...

En deez' mijn goede buur en reisgezel

Hier, — kreeg zijn oude moeder, krank en zwak,

Niet voor zijn oogen een musketschot door

Het hoofd, om 't bed te rooven, waar ze op lag? ...

Dat zijn uit velen twee slechts, 'k Noem niet meer,

Het walgde u licht, wou 'k al de gruw'len schilderen,

Die 't Rolder karspel van die wreedaards leed.

Rabenhaupt.

Mij klinkt uw droef verhaal volstrekt niet vreemd. Wij kennen Munsters vorst. Veel beter dan De kromstaf van den bisschop handt hem 't beulszwaard. Zijn eigen onderzaten ondervonden 't, —

Sluiten