Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den man des bloeds, des onrechts, des gewelds, Die daar gezag voert, of 't hem rechtens toekwam.

Rabenhaupt.

Wat was de misdaad dan, die tot de vlucht U noopte?

Van der Thijnen.

Van geen misdaad ben ik mij, Goddank! bewust, heer generaal, — tenzij 't Het peinzen ware op plannen, om die stad Hem bij verrassing weer te ontnemen.

Rabenhaupt (lachende).

Maar,

Van zulk een plan gaat toch u 't brein niet zwanger? Van der Thijnen.

Het was het juist, heer Generaal, wat mij Van uw welwillendheid 't gehoor deed vragen, Dat thans te beurt mij valt.

Rabenhaupt (wrevelig).

Heer Van der Thijnen,

'k Ben niet van schertsen thuis. Verklaar u kort: Wat hebt ge mij te zeggen?

Van der Thijnen.

Edel heer,

O houd het mij ten goede, maar ik spreek In vollen ernst. Te schertsen is mij vreemd.

Bij al wat heilig is, 'k meen kans te zien, Om Koevorden weer van den druk te vrijden,

Waar 't onder zucht.

Rabenhaupt (minzamer).

Maar, zeg — wie zijt gij dan? Uw uiterlijk verraadt den man niet, tot Zoo'n hach'lijk waagstuk vaardig.

Sluiten