Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den slag te slaan, — gelijk ik meester Meindert Ook vroeger reeds te kennen gaf. Liefst zou 'k Den winter eerst, als min geschikt seizoen Voor zulk een wapenfeit, weer zien verloopen.

Van der Thijnen.

'k Volhard toch bij mijn meening, generaal! U in een vorig mondgesprek ontvouwd,

Dat juist de winter tot zoo'n overval Hulpmiddelen ons verstrekt, meer waard dan goud. Die korte dagen en die lange nachten, Die morgenstonden vaak gehuld in neev'len, Die strenge kou, die sneeuw, die gure buien, Waarmee Natuur — die anders zachte Moeder — Dan vaak zoo overkwistig is en mild, —

Zijn ze altegaar niet in 't gewenschte voordeel, Van wie iets ondernemen gaan als wij ? . .. Wij moeten als een dief dien vreemden roover Daar overvallen in zijn nest, — en kiest De dief bij voorkeur niet den donk'ren nacht, Wanneer de storm zelfs 't kraken van zijn voetzool Ook voor het scherpst toeluistrend oor bedempt? .. Zoo moet een van Decembers langste nachten Ook óns nu met zijn donkerheid ommantelen,

Waar wij heroov'ren, wat ons wettig toekomt.

Rabenhaupt.

Gij hebt uw pleit gewonnen, Van der Thijnen! Nu ben ik 't met u eens.

Van Julsingha.

Dan kort en goed

Den dag maar vastgesteld!

Van der Thijnen.

Staat dat aan mij? Coenders.

Voorzeker!

Sluiten